|
NIEUWE KAAPSE KRONIEKEN - 41 (25092009) Zaterdag, 29 augustus 2009. Koekenaap heet het gehucht even buiten Lutzville, als Nederlander moet je daar even langs rijden als je toch in de buurt bent. Vind ik. Al was het alleen maar om te kijken of het echt waar is dat er een dorp met zo’n naam bestaat en omdat de enige associatie die ik in mijn hoofd heb het vaderlandse “Koekenzopie” is. Het is de wijnbouw echter die hier in de streek de boventoon voert, waar het maar mogelijk is staan er wijnranken. Koek en aap, hoe komen ze erop. Een handvol huizen, een door een stevig hekwerk afgeschermde medische hulppost, een stoffige weg die vooral zegt dat je hier als buitenstaander weinig hebt de zoeken. En dat terwijl er bij de dorpsgrens van Lutzville, tot welke gemeente Koekenaap behoort, een bord staat met de stellige bewering “WELKOM IN LUTZVILLE, DIE DORP WAAR BESOEKERS ONS VRIENDE WORD”. Ja, ja. Rond de kleine supermarkt hangen kleurlingen rond, die hier hetzelfde doen wat hun rasgenoten overal op zaterdagmiddag op het West-Kaapse platteland doen: zuipen. Niet dat dit overigens veel met huidskleur heeft te maken, want terug in Melkboomsdrift, de wijnboerderij waar ik logeer, is het “happy hour” inmiddels in volle gang. De hese sexy stem van Hilsa, de eigenaresse, klinkt boven alles uit. De voertaal is Afrikaans. “Jij komt uit Nederland, dus jij kan ons verstaan”, wordt opgelucht geconstateerd om aldus te voorkomen dat er noodgedwongen Engels moet worden gesproken. De wijnen die ze maakt worden als “boutiquewijnen” aan de man gebracht en zijn zeer drinkbaar. Dat helpt mij enigszins bij het verwerken van het leed dat ik in deze luxe oase moet aanhoren. Iedere oprechte post-apartheid Afrikaner heeft het bar moeilijk, zo blijkt uit de verhalen. Maar, zo denk ik in hun ogen waarschijnlijk geheel onterecht, dat wordt toch ruimschoots goed gemaakt door een prettige manier van leven die slechts voor de meest maatschappelijk geslaagden in veel welvarender landen is weggelegd? Naast de grote auto’s, het ruime huis met flinke tuin en zwembad in een rustige voorstad, de bediendes, zijn één of liefst twee motoren een must. Met die “fiets”, zoals ze dat ding noemen, trek je er met je partner op uit om tijdens het weekeinde de zorgen van alle dag achter je te laten. Merken, types, ciliderinhoud, prijzen, de beste motorpakken en laarzen trekken aan mij voorbij én de georganiseerde tochten, zoals die héél avontuurlijke tocht door Namibië bijvoorbeeld. Ach gut, met een begeleidende truck met luxe tenten, eten en drinken en bediendes die er voor zorgen dat de deelnemers niets te kort komen en hun handen niet zelf uit de mouwen hoeven te steken. Het pioniersbloed van de voorouders is wel heel erg verdund. Zondag, 30 augustus 2009. Voor de terugreis even de graven van de familie Engelbracht bezoeken, de vroegere eigenaren van Melkboomsdrift, die aan de rand van de boerderij liggen. Het ziet er verzorgd uit. Die traditionele begraafplaatsen aan huis zijn een andere post-apartheid bron van zorg, iets waar ik achter kwam dankzij een artikel in de zaterdagbijlage van mijn krant. Voorheen bleef de plaas – de boerderij – vele generaties in handen van dezelfde familie of werd verkocht aan andere Afrikaners die de familiebegraafplaats verzorgden en er hun eigen doden ook begroeven. Maar nu de bedrijven in handen komen van bruinmense of swartmense slaan de vooroordelen toe, want waarom zouden die respectueus omgaan met de doden van de voormalige onderdrukkers? Je moet wel een heel kwaad geweten hebben om jezelf zulke vragen te stellen en je landgenoten wel heel erg slecht kennen bovendien. De verering van en het respect voor de voorouders is een belangrijk cultureel gegeven dat na een paar honderd jaar samenleven binnen dezelfde grenzen nog niet schijnt te zijn opgepikt. Dat projectontwikkelaars met enige regelmaat begraafplaatsen van niet-blanken willen ruimen, wordt echter “normaal” gevonden en protesten worden als het onnodig ophouden van de economische ontwikkeling bestempeld. Het meten met twee maten verleer je niet zomaar. Zo blijkt. De keuze van de weg terug naar Kaapstad gaat puur op impuls. De kortste route via de Weskusweg, die parallel loopt aan de Atlantische Oceaan, laat ik bij het gehucht Houmoed schieten. In plaats van rechtsaf te slaan richting Lambertsbaai, rijd ik langs de irrigatiekanalen, de wijngaarden met in het blad schietende ranken en af en toe de Olifantsrivier naar Klawer. Uiteindelijk was en is het de bedoeling om de Olifantsrivier van bron tot monding te verkennen. Het stuwmeer achter de Clanwilliamdam is 100% gevuld. Een bordje houdt voorbijgangers op de hoogte van de waterstand en zo weet iedereen die van dit water afhankelijk is voor de bevloeiing van de akkers dat hij/zij het komende jaar weer goed zit. Maar er is nog een bordje dat me niet eerder is opgevallen, een verbodsbord uit de apartheidsjaren: KENNISGEWING – In gevolge die regulasies opgestel kragtens artikel 70 van die Waterwet, 1956, word geen kameras, springstof, vuurwapens, ammunisie of enige ander wapens tot die sekerheidsbeheerde gebied toegelaat nie. Die neem van fotos van die gebied is ook verbode behalwe vir gemagtigde amptelike doeleindes.” Ik haal mijn wapen tevoorschijn – want dat is mijn camera kennelijk in dit jargon uit vervlogen tijden – en schiet ongehinderd mijn foto’s, net als alle anderen die hun reis hier kort onderbreken. Bij Citrusdal – 60 kilometer verderop - is het minder dan 200 kilometer naar huis, toch sla ik linksaf en kies voor de lange omweg via het Koue Bokkeveld en Ceres om de simpele reden dat daar ergens de Olifantsrivier ontstaat. De bron dankzij welke de hele streek waar ik dit weekeinde doorheen reis geen semi-woestijn is, maar fris groen. wordt vervolgd |