|
NIEUWE KAAPSE KRONIEKEN - 40 (20092009) Zaterdag, 29 augustus 2009. Een stiefkwartiertje na Clanwilliam ligt in de diepte het waterreservoir van de Bulshoekdam. Schijn zou hier behoorlijk kunnen bedriegen: fraaie vakantiebungalows op de oevers, een paar waterskiërs en bootjes op het water. Kortom een recreatiegebied. Maar net zoals rond het meer achter de Clanwilliamdam wordt hier het nuttige met het aangename verenigd. Want dankzij de in 1917 aangelegde dam en het daar achter ontstane kunstmatige meer, rijd ik nu niet de woestijn in, maar een langgerekte vallei die is gevuld met wijngaarden. Van Trawal tot aan de Atlantische Oceaan, zo zal ik tijdens de volgende uren ontdekken. In de jaren na de aanleg van de dam werden irrigatiekanalen met een lengte van meer dan 300 kilometer aangelegd. Met sluizen en sluisjes om de verdeling van het water te regelen. “Een fantastisch werkgelegenheidproject”, volgens een geschiedschrijver. En die werkgelegenheid hield niet op na het graven van die dingen – zo op het oog overigens niets anders dan ondiepe sloten - omdat men al snel ontdekte dat er veel water in de grond van de in de aarde gegraven kanalen verdween. Die moesten dus worden gebetonneerd, nog meer werk. En daarna nog véél meer. De aanleg van wijngaarden en alle daaruit voortvloeiende arbeid. Trawal, Klawer, Vanrhynsdorp, Vredendal, Lutzville, Koekenaap, Ebenhaezer, Papendorp, allemaal stadjes en dorpen die bloeien dankzij het water van de Olifantsrivier en de irrigatiekanalen die voor een breed groen lint door het verder dorre landschap zorgen. In Klawer ga ik de resultaten van al die noeste arbeid even proeven: smakelijke sauvignon-blanc en verrukkelijk stroperig zoete Hanepoot dessertwijn. Bij Vanrhynsdorp de afslag naar de R27 richting Vredendal en de Olifantsrivierwynroete, hoewel de rivier zelf tussen Trawal en Klawer al linksaf is geslagen in de richting van de oceaan. Vredendal is een klein lelijk stadje, niets aan. Het enige wat ik wél aardig vind, is de loods aan de rand van de bebouwde kom waarop “VREDENDAL BIERVERSPREIDERS” staat, de drankengroothandel. Wijn is echter de drank waarmee hier het geld wordt verdiend om dat bier te kopen, wijn die bijvoorbeeld wordt gemaakt in de Namaqua Wynkelder, zo’n beetje de grootste wijnfabriek van Zuid-Afrika. Tussen Vredendal en Lutzville ligt de meest westelijk gelegen wijnstreek van het land. Eindeloze rijen wijnranken, die er in deze tijd van het jaar wat lullig kaal bijstaan, leveren daarvoor het bewijs. Even na het ruim een kilometer lange viaduct van de spoorlijn tussen Sishen en Saldanha, waarover alleen maar treinen beladen met ijzererts van de mijn naar de hoogovens rijden, is de oprit naar Melkboomsdrift, het wijnlandgoed waar ik ga overnachten. “BLêDIE Lekke Scones, Tee en Koffie” vinden ze dat ze hebben én een demonstratie van de blijvende Engelse koloniale invloed in een gebied waar Afrikaans de boventoon voert en men liever niets met de Engelse taal van doen heeft. Scones! Ach zoete herinnering aan de jaren dat ik in Engeland woonde en vaak scones ging eten in de watermolen van Gomshall in Surrey, aan de andere kant van de heuvels waar we woonden. In Horsley. Achter glas draaide het oude waterrad zijn rondjes in de traditionele tearoom, heel uniek. Terwijl ik op mijn koffie en scones wacht, zie ik tot mijn genoegen dat naast het zwembad een paar beelden van pronte vrouwentorso’s staan en dat de tuin zowaar aan de Olifantsrivier grenst. Op de dag dat ik de rivier bijna vanaf de bron tot aan de monding aan het volgen ben, is zoiets natuurlijk de enige optie die acceptabel is. Naast de deur van de receptie hangt een bord waarop staat geschreven wie in welke kamer zal overnachten. Graham Goetze in de Vrykamer, Chantal Burger in de Melkkamer en ik in de Tuiekamer, de tuigkamer van de oude boerderij. Alsof ze van te voren informatie over iedere gast hebben ingewonnen! De monding van de Olifantsrivier is ergens achter Papendorp, een oude missiepost van de katholieke kerk. Van de papen dus. Het is een armoedige nederzetting waar de kleuterschool heel optimistisch “de See-Nimfies” heet. In de verte is te zien hoe de rivier de oceaan bereikt, maar vanuit het gehucht naar de monding loopt geen berijdbare weg. Via het aan zee gelegen Strandfontein dan maar, waar het welkom wat koeltjes is. Een slagboom, een controlepost en een waarschuwingsbord in tyoch wel wat krom Afrikaans: “GELIEWE KENNIS TE NEEM. U besoek aan die strandgebied is onderworpe aan ’n voertuig deursoeking. Indien enige alkoholiese sterk drank gevind word u niet tot die strandgebied toegelaat sal word nie”. Het valt nogal mee, de slagboom gaat ongevraagd omhoog. De mannen van de controle voelen geen aandrang om mijn auto te doorzoeken, ze blijven lekker binnen. Als ik even later uit de auto stap begrijp ik waarom, er staat een ijskoude en harde wind. Diezelfde wind en het opstuivende zand benemen mij – ietwat laf - iedere lust om via het strand naar de monding van de rivier te lopen, maar niet de lust om nog wat dorpen in de omgeving te bekijken. Allereerst Ebenhaezer, een oude zendingpost gesticht door Baron von Wurmb van het Rijnlandse Zendingsgenootschap nadat hij met ruzie uit Wupperthal, een andere zendingspost, was vertrokken. Het dorp heeft een veel te groot kerkgebouw en veel te veel kleine huisjes, sommige waarvan muren van gevlochten riet hebben. De lidmaten van de kerk moeten bovendien verschrikkelijk dom zijn. Waarom staat er anders recht tegenover de kerk een richtingaanwijzer waarop “KERK” staat? Doch dan komt spontaan mijn Calvinistische opvoeding boven drijven. Staat er in de Bijbel niet “Zalig zijn de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der Hemelen”? Maar daarop op zo’n overdreven manier de nadruk leggen, gaat mij echt iets te ver. wordt vervolgd |