NIEUWE KAAPSE KRONIEKEN - 35 (29082009)

Zaterdag, 8 augustus 2009. De N7, de weg van Kaapstad naar Namibië, kan ik ondertussen met de ogen dicht rijden. De eerste 230 kilometer tot Clanwilliam tenminste. De denkbeeldige lijn tussen het kustdorp Lamberts Bay en het bij de dam in de Olifantsrivier gelegen Clanwilliam, heb ik tot nu toe niet eerder gekruist. Maar zelfs hiervoor is er dus een eerste keer. Gewoon doorrijden over dezelfde weg met aan de rechterkant in de diepte dezelfde Olifantsrivier. Akkers en daarna wijngaarden aan de kant van het water, aan de andere kant van de weg wordt voorzichtig begonnen met het ontginnen van het dorre droge land. Dankzij het rivierwater en een ingenieus irrigatiesysteem kan hier wijnbouw en landbouw worden bedreven. Op enorme prehistorische insecten lijkende beregeningsinstallaties op wielen, kruipen al “regenend” over de akkers. Niet om ze kaal te vreten, maar om ze tot bloei te brengen. Tot en met graan en aardappelen worden op die manier verbouwd. Ergens tussen de dorpen Trawal en Klawer buigt de rivier in de richting van de Atlantische Oceaan en verdwijnt het groen dezelfde kant op. Vlak voor de brug stop ik even, kijk over mijn schouder en zie een stille, langgerekte vallei, vol met wijngaarden.

Hoe anders is het landschap aan de overkant. Kurkdroge semi-woestijn met minimale vegetatie, net een toendra. Ik laat Klawer links liggen – de wynkelder is al dicht, vandaar - en even verderop laat ik de Gifberg, die erg op de Tafelberg lijkt, rechts liggen. Droog leeg land dat zo te zien nergens voor deugt. Direct na de Troe-Troerivier ligt Vanrhynsdorp. Zo’n dorp van dertien in een dozijn dat ik, zelfs als ik er geblinddoekt doorheen zou zijn gereden, toch nauwkeurig zou hebben kunnen beschrijven. Volgens zeggen is dit een voor botanici paradijselijk gebied waar verschillende soorten vegetatie elkaar ontmoeten: Kaaps fynbos, kokerbomen en Namaqualandveldbloemen. Als het paradijs er zo uitziet, dan laat ik iemand anders maar voorgaan. Buiten de dorpsgrens gaat de leegte gewoon weer verder, alsof ik net door een oase in de woestijn ben getrokken. De vrijwel kaarsrechte weg loopt langs de voet van de Matzikamabergen, die de zuidelijke grens van de Knersvlakte vormen, tot aan de Vanrhynspas. Naarmate de steile weg hoger klimt, wordt het uitzicht over de vlakte mooier tot bijna op het adembenemende toe. Vanuit de hoogte is de loop van de opgedroogde stroompjes te volgen, zoals op een reliëfkaart. Volgens het bord aan de voet van de pas is deze 268 meter hoog, hetgeen vast met een kapotte hoogtemeter is gemeten. Voor mijn gevoel moet de bergrug stukken hoger zijn. Een waarschuwingsbord voor vallend gesteente: “Verhoogd risico bij nat weer. Gebruik op eigen risico.” Ook dat begrijp ik niet helemaal, slippen en van de weg af naar beneden donderen wel, maar meer vallend gesteente bij nat weer? Bijna boven, rijd ik voor het eerst met de auto de West-Kaap uit – oppervlakte 3x Nederland -, welkom in de Noord-Kaap – oppervlakte ongeveer 9x Nederland!

Na de pas daalt de weg niet, dit moet wel een hoogvlakte te zijn. Ik passeer het Oorlogskloof natuurreservaat en kruis de Oorlogskloofrivier meerdere keren, dit moet de Oorlogskloof zijn. Er zou nog al eens zijn gevochten tussen boeren met landhonger en de oorspronkelijke bewoners van de streek die niet wensten mee te werken aan het stillen van die honger. Het gebied is fameus vanwege de veldbloemen, die tijdens de bloei in augustus veel toeristen trekken, waardoor ik vannacht niet in Nieuwoudtville kan logeren. Na een rondje door het gehucht rond een kerk te hebben gereden, want meer is het niet, vind ik dat niet al te erg. Nog 70 kilometer naar Calvinia. Aan de horizon verschijnen de Hantambergen, lager bij de grond bloeien in de bermen en op de velden madeliefies, maar voor de verandering ook andere soorten bloemen en kleuren dan die ik de vorige week in de Verloren Vlei zag. Zo barst het hier van de geelkatstert of geelkopmannetjie, bottergousblom, sandlelie en viooltjie. Geel, oranje, wit en lila. Van die katstert – kattenstaart – meen ik me te herinneren dat er in Nederland een rode soortgenoot bestaat die naar ik meen “vuurpijl” heet. En het “viooltjie” lijkt absoluut niet op het Nederlandse tuinviooltje of op het Kaaps viooltje, ’t is net een lupine.

Het enige dat in de wijde omgeving van Calvinia kan worden geteeld zijn schapen. Dankzij die schapen en hun wol beleefde het stadje in de beginjaren van de vorige eeuw een enorme bloei. Net zoals in andere Zuid-Afrikaanse “boomtowns” trok dat veel Joodse handelaren aan uit met name de Baltische staten. En net zo als elders trokken die weer weg zodra de handel over zijn hoogtepunt heen was. Hun van financieel succes getuigende – doch in onbruik geraakte - synagoges veranderden soms in musea of werden gesloopt of het interieur werd een museumstuk, zoals in Oudtshoorn. Joods of niet, iedereen die goed verdiende bouwde mooie huizen. Daarvan zijn er in Calvinia aardig wat van de sloop gered en in hun oude staat hersteld dankzij de ondernemingsgeest van een handvol lokale ondernemers die investeerden in de toeristenindustrie. Zo’n beetje de helft van de Victoriaanse en oudere huizen in het centrum zijn het eigendom van de familie Coetzee, in hun Hantam Huis Kompleks ga ik overnachten. In een “nagmaalkamer” van het uit ongeveer 1860 daterende “Die Dorphuis” die “Sorgenfrei” heet. Op het achtererf zijn vier kleine kamers waar boeren uit de omgeving die naar Calvinia kwamen om het avondmaal te vieren, konden overnachten. Wat moet echter een bezoeker die niet in het avondmaal is geïnteresseerd in die paar uur tot het diner, in een stadje dat prat gaat op bezienswaardigheden als een buitengewoon heldere sterrenhemel en de grootste brievenbus ter wereld? O ja, en het museum in de voormalige synagoge.

wordt vervolgd