|
NIEUWE KAAPSE KRONIEKEN - 28 (24072009) Zaterdag, 20 juni 2009. Of je het wilt of niet, in Wupperthal moet je rooibosthee drinken. Dit is de enige streek op aarde waar de “aspalathus linearis“ groeit. Nou ja, nadat het eenmaal was gelukt om op wat grotere schaal zaad te winnen, wordt rooibos aangeplant in een ruime straal rond de Cerderbergen, maar verder echt nergens anders. De rooibosstruik ziet er niet uit en wordt soms omschreven als “lijkt op een bezem”, wat mij betreft op een ouderwetse straatvegersbezem. Het eindprodukt is echter zeer de moeite waard en, volgens hen die van zichzelf zeggen het te kunnen weten, erg gezond. In tegenstelling tot “gewone” thee bevat rooibos geen cafeďne en vrijwel geen looizuur, doch wel veel antioxidanten, calcium en ijzer. Er bestaat een groeiende lijst van kwalen waartegen rooibos zou helpen: maagklachten, hooikoorts, eczeem, astma, hooikoorts en allergieën. Bovendien zou het een positief effect hebben op de waterhuishouding van de mens. Ik drink graag rooibos omdat ik het lekker vind, maar heb als ervaringsdeskundige nog niet gemerkt dat het nieren net zo goed of beter doorspoelt als een paar glazen bier. Rond Wupperthal werden de naaldachtige blaadjes tot voor kort van in het wild groeiende struiken geoogst, zoals ik in mijn jonge jaren in de bossen rond Arnhem bosbessen ging plukken. Zo stel ik me dat tenminste voor. Tegenwoordig wordt het bedrijfsmatig verbouwd, want rooibos is “handel”. Ooit schreef Jan Brusse “onze correspondent in Parijs” dat wijn het lekkerst smaakt in de streek waar het wordt gemaakt. Dus ga ik rooibos drinken op de voorstoep van het huis waar de stichter van het dorp ooit woonde, in de streek waar het vandaan komt. In het huis zijn nu een kleine souvenirwinkel annex cafetaria gevestigd. En een museum. Dames die het niet gewend zijn proberen Engels met me te spreken, ze zijn opgelucht als ik zeg dat het in het Afrikaans mag, maar dan wel “baie stadig asseblief” langzaam dus. Net als de kerk, zit het museum – “MUSEU” staat er boven de deur - op slot. Dat beetje Afrikaans kletsen doet echter wonderen, hoewel dat waarschijnlijk op inbeelding berust. “Gewoon goed tegen de kerkdeur duwen” luidt het advies, “dan kan je naar binnen”. En voor het museumbezoek geven ze me de sleutel van de voordeur. Museum is een groot woord voor de woonkeuken waarin ik terecht kom. Wat er getoond, roept niet bepaald de emotie op van “dit had ik beslist niet mogen missen”. Schoenmodellen, een leest, keukengerei, een statig portret van Leipoldt, een handgeschreven opsomming van “SENDELINGE VAN DE RYNSE SENDING” vanaf 1830 tot en met 1965. Dat was het jaar dat de Rynse Sending zich terugtrok uit Zuid-Afrika en al haar eigendommen, inclusief de gelovigen, overdeed aan de Moravische Kerk. Het interieur van de kerk is heel erg sober, zoals het in een Moravische kerk hoort: harde banken, simpele kansel, geen opsmuk. Volgens het dorpsreglement zal het woord “frivool” hier ook wel niet mogen worden gebezigd. Dus drink ik mijn rooibos, koop in de winkel lokaal geproduceerde rooibos-citronellathee en ter voorbereiding op de wandeling van morgen langs de Sevilla Trail een boekje over de rotstekeningen in de Cederbergen. Waarna ik, bij gebrek aan een alternatieve route, via dezelfde saaie weg terugrijd. J.J.L. STRAUSS – TRAVELLERS REST – AKKOMMODASIE, mijn logeeradres voor vannacht valt niet te missen. Een grote boerderij is het, geen gastenverblijf te zien. Gastvrouw Haffie – een koosnaampje – Stauss ontvangt mij hartelijk, geeft me een kaartje om de cottages aan de andere kant van de weg te kunnen vinden – de sleutel zit in de voordeur -, adviseert om een paar zakjes openhaardhout mee te nemen en meldt geheel ten overvloede dat hun restaurant “Khoisan Kitchen” is gesloten omdat er geen andere gasten zijn. Gelukkig had ze dat toen ik reserveerde ook al gezegd, zodat ik alvorens onderweg te gaan in Kaapstad magnetronvoedsel en wijn had ingeslagen. De gastenverblijven liggen zo’n drie kilometer van de ingang af, tussen de Brandewynriveir en de voet van de hoge heuvels van rode zandsteen. Onderweg er naartoe, over “de slechte en slingerende weg” kom ik de grazende kudu’s tegen waarvoor Haffie me had gewaarschuwd, over de slechte weg had ze haar mond gehouden. Er staan vier cottages die zijn opgetrokken met de grote keien die hier in overvloed te vinden zijn. De mijne voor één nacht heet “Emmi” en heeft ruimte voor twee gezinnen! Nog een uur voordat het donker wordt. Na een bed te hebben uitgezocht waarin ik denk het best te zullen slapen, is er nog tijd over om op verkenning te gaan. Eerst naar de Brandewynrivier om te proeven of het water echt naar brandewijn smaakt, zo’n naam intrigeert me mateloos. Nee dus. Gewoon puur water. De rivier stroomt snel, is bezaaid met rotsblokken en zandbanken, is ondiep, maar net niet ondiep genoeg om over te kunnen steken, iets dat me wel wat leek. Het verhaal gaat dat tijdens de Tweede Boerenoorlog de Engelse troepen hun kamp bij de rivier hadden opgeslagen, alwaar lokale dames langs kwamen om brandewijn en andere diensten aan te bieden - welke dat waren, laat zich raden – dat zou de rivier zijn naam hebben gegeven. Leuk genoeg om te geloven dat het echt zo is. Ik klim de rotsen achter de cottage op en ontdek een enorm irrigatiekanaal, dat me aan de ingenieuze Inca irrigatiekanalen hoog in de Andes doet denken. Verderop meen ik rotstekeningen te zien. Hoger en hoger klim ik, slechts om steeds opnieuw te ontdekken dat het om een okerkleurige uitslag op de rotsen of de rotswand gaat. Een heel andere fata morgana als in een woestijn, maar voor mijn gevoel, net zoiets. Als het serieus begint te schemeren, geef ik het op en klauter naar beneden. Het begint snel af te koelen, hoogste tijd om de open haard aan te steken. wordt vervolgd |