Amerikaanse zendelingen die probeerden wezen die geen wezen zijn van Haïti naar de Domicaanse Republiek te smokkelen, worden gearresteerd. Transporten van gewonde Haïtianen naar de Verenigde Staten worden opgeschort vanwege de onduidelijkheid over wie de kosten van de ziekenhuisopname zal betalen. Doodgaan zonder behandeling in Haiti is uiteraard stukken goedkoper, dan doodgaan in het land waar de Christelijke naastenliefde luidop in het openbaar wordt beleden, doch slechts in praktijk schijnt te worden gebracht als er zekerheid bestaat over wie de rekening zal betalen.

HAITIAANSE HERINNERINGEN - 3 (27012010)

De “slagboom” aan de grens tussen de Dominicaanse Republiek en Haïti is een over de weg gespannen ketting. Door daar over heen te stappen, belanden we in het niemandsland. Links een hoge stapel door de zon gebleekte keien en, net voordat de weg schuin naar beneden de rivier induikt, een groen grenspaaltje waarin “RD – 310 – 1929” is gebeiteld. República Dominicana, 310 kilometer is de afstand naar de hoofdstad Santo Domingo. 1929? Joost mag het weten. Gelukkig hoeven we niet door de rivier te waden. Een goed bedoelende hulporganisatie heeft niet zo lang geleden een nieuwe betonnen voetbrug gebouwd. De vorige was in in 2004 weggespoeld. Het is stervensdruk. Op maandag en vrijdag is het “puerta abierta – open deur” wordt mij uitgelegd. Dat zijn de marktdagen, dat zijn de dagen waarop de controles minimaal zijn zodat iedereen zonder al te veel gezeik de grens kan passeren. We storten ons in het gewoel en lopen over de brug naar de Haïtiaanse kant. Zwaar beladen brommers, mannen, vrouwen en kinderen met een last op hun hoofd, mensen die aan de ene of de andere kant van de grens naar de markt gaan om inkopen te doen of handel te drijven. In de schaduw van de brug zitten vrouwen de was te doen in de rivier, aan de zonkant nemen hun kinderen een duik in het water. Aan de Haïtiaanse kant van de brug weer een ketting. Geen geüniformeerden, niemand toont zich in het minst geïnteresseerd in onze aanwezigheid. Zo sta ik opeens in Haïti, het armste land op het westelijk halfrond.

Het gaat allemaal veel te gemakkelijk. De foto’s die ik van de grensovergang bij het stadje Elías Piña, halverwege de Caribische Zee en de Atlantische Oceaan heb gezien hadden hoge verwachtingen gewekt. Een dringende massa mensen met handel op hun schouders en hun hoofd. Een grote stenen poort met een deur, zoals bij de grensovergang tussen Benin en Togo in West-Afrika. Ik was mentaal voorbereid op eindeloos gezeik, op het hengelen naar geld door corrupte grensbewakers. Zoals bij Seme, de grenspost tussen Nigeria en Benin, waar ik dingen heb meegemaakt dat met geen pen zijn te beschrijven, laat staan een toetsenbord. Je moet het hebben ondergaan om je er een voorstelling van te kunnen maken. Seme is een grenspost waar overheidsdienaren het aan reizigers opleggen van niet bestaande heffingen, zowel als het met een glimlach innen daarvan, tot een hogere vorm van volkstheater hebben verheven. Uit voorzorg passeerde ik die grens nooit met meer geld op zak dan dat er van mij mocht worden gestolen, maar wel genoeg om te worden doorgelaten. Jammer genoeg niets, helemaal niets van deze heerlijke soort couleur locale tussen Pedernales en Anses-á-Pitre.

Twee, driehonderd meter na de grens een T-kruising met de “grote” weg naar Port-au-Prince, de hoofdstad van Haïti. Het is een steenweg, zoals kasseienwegen in Vlaanderen heten. Daar zijn het tenminste wegen van ordelijk geplaatste keien van ongeveer gelijke grootte. Nederlandse “kinderkopjes”. De kasseien in Haïti zijn echte zwerfkeien die ogenschijnlijk te hooi en te gras in de harde ondergrond zijn gezet. Op een bepaalde manier weerspiegelt de weg de anarchie en wanorde die in het land heerst. Langs de kant stroomt water dat door de lokale bevolking zo uit de goot in plastic bakken wordt geschept. Ik kan mijn ogen even niet geloven, doch had beter moeten weten. Een kraan waaruit drinkbaar water komt, is een schaarse luxe in Haïti. Ergo besmettelijke ziektes te over. Afwassen, wassen, plassen en poepen in het water dat vervolgens wordt gedronken, heeft zo zijn nadelige gevolgen. Grote borden aan de andere kant van de grens – waar het drinkwater wel goed is - met instructies hoe water met een paar druppels chloor kan worden gezuiverd, heb ik Anses-à-Pitre niet gezien. Af en toe hobbelt een vrachtwagen, met een open laadbak vol met mensen, voorbij. Openbaar vervoer in de ware zin van het woord. Die “bussen” hebben mooie namen als “Grace du Ciel – Geschenk uit de hemel” en “La vie c’est l’ espoir – hoop doet leven” of woorden van gelijke strekking. Hoe armer het land, hoe verhevenener de spreuken. Cartoonachtige muurreclames bij de coiffeur. Net als in Afrika met een afbeelding van de modellen die de kapper knipt. Weer een spreuk: “qui va lentement, arrive sûrement – kalm aan dan breekt het lijntje niet”. Aan de stijl te zien, heeft dezelfde gevelartiest Hotel Disco “Notre D’amme de Loude” van een portret van een ontmande Marlboroman voorzien. Pas na een paar keer kijken, ontdek ik dat de sigaret tussen zijn vingers ontbreekt. Naast de deur van de dorpswinkel staat “Aujourd’hui pas de crédit” op de muur. “Morgen wel?” vraag ik. “Morgen ook niet, want dan is het weer vandaag” krijg ik lachend als antwoord. Op veel erven liggen enorme balen textiel. De in rijke landen onbaatzuchtig aan het goede doel gegeven kleding, wordt gesorteerd voor de verkoop.

Aan beide kanten van de grens, aan beide kanten van de brug, is een markt. Aan beide kanten zitten geldwisselaars die, ondanks de waarschuwing van het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken, net doen of er in Haïti geen misdaad bestaat. Pakken papiergeld in de hand en op schoot. Haïtiaanse Gourdes en Dominicaanse Pesos. Net als de mannen van het grenswisselkantoor in de open lucht, voel ik me erg op mijn gemak. De kramen in Haïti zijn gebouwd van in de grond gestoken stokken met dakjes van bladeren, karton of afgedankte lappen stof. Overwegend textiel dus in de “bend down boutiques”. Die zo heten omdat de klanten zich moet bukken om een keus te kunnen maken uit de stapels gebruikte kleding die slordig op een lap zeil op de grond liggen. Spijkerbroeken, T-shirts, rokken, broeken, ondergoed, opgelapte merkschoenen, gordijnen en beddengoed. Allemaal zo uit de kledingcontainer van het Leger des Heils of de Zak van Max, als die nog bestaat.

wordt vervolgd