NIEUWE KAAPSE KRONIEKEN - 10 (02052009)

Zaterdag, 11 april 2009. Vanachter de ontbijttafel bewonder ik de Towerkop (Toverberg), een berg met een gespleten top die hoog boven Ladismith uittorent. Met zijn bijna 2.200 meter is het één van de hoogste bergtoppen van de Klein Swartberge. Bij een berg met zo’n uiterlijk en met zo’n naam hoort uiteraard een verhaal. De lokale legende wil dat een woedende heks die over de berg vloog, in haar kwaadheid met haar bezem tegen de top sloeg en die in tweeën splitste. Wat is er mooier dan in zo’n verhaal te geloven en dat geloof in stand te houden? Bernie, de echtgenoot van de gastvrouw, vertelt het me als eerste en daarna moet ik nog een paar keer aanhoren, hetgeen ik geduldig onderga. Je moet mensen die het beste met je voorhebben niet al te zeer afzeiken door bars te laten weten dat je het verhaal al kent. Het is inderdaad een betoverende berg die, zo zal ik de koop van de dag met eigen ogen zal kunnen waarnemen, er vanuit iedere hoek en vanaf iedere afstand intrigerend anders uitziet. Op de ontbijttafel staan “OUTSPAN” mandarijntjes. In de tijd van de apartheid een merk dat in Europa helemaal fout was en fanatiek werd geboycot. Die “onverkoopbare” vruchten werden dus zonder merkje via een omweg geëxporteerd en brachten daardoor een stuk minder op. Maar verkocht werden ze. De zoon van de eigenaresse werkt bij OUTSPAN, hij weet van niets, zijn moeder herinnert zich die jaren echter levendig.

Hoewel het pas zaterdag is, eerst naar de kerk. Het gebouw is niet meer in gebruik als godshuis, daarom – vermoed ik – is het vernoemd naar de architect Carl Otto Hager. De in Dresden geboren Hager kwam in 1838 naar Kaapstad alwaar hij een architectenbureau begon. Hij was één der eersten in Zuid-Afrika die kerken ontwierp in de neogothische stijl. Niet dat het hem onmiddelijk voor de wind ging. Na wegens gebrek aan opdrachten de kost bij elkaar te hebben gescharreld als portretschilder en sigarenboer ging het vanaf 1861 tot zijn dood in 1898 stukken beter. In die periode bouwde hij zo’n beetje aan de lopende band kerkgebouwen. Dat van Ladismith werd tussen 1872 en 1875 gebouwd en na minder dan 70 jaar alweer rijp geacht voor de sloop. Waarom? De opknapbeurt die moest worden uitgevoerd was te duur! Zelfs als het om het huis van God gaat maken Calvinisten een kosten – batenanalyse. Schandalig! Hetzelfde gold echter voor het slopen, dus werd het gebouw maar verkocht. De Nederduitsch Gereformeerde dominees hebben veel uit te leggen op de dag des oordeels. De nieuwe kerk wordt in de volksmond “de brandweerkazerne” genoemd, vertelt iemand me. Het is zo’n nauwkeurige beschrijving, dat ik gelijk weet welk gebouw er wordt bedoeld.

In de voormalige kerk is de VVV gevestigd en wordt “kunst” van lokale kunstenmakers uitgestald, alsmede “historische” documenten, huishoudelijke apparaten, wapentuig uit de Boerenoorlog én “Stanley se liggie”, de kleinste hydro-elektrische krachtopwekker ter wereld. Volgens de toelichting althans. Het “liggie” ziet er niet uit, het doet me denken aan zo’n fiets waarmee tijdens de Tweede Wereldoorlog licht werd opgewekt. Stanley de Wit installeerde zijn lichtje in 1963 hoog op de Elandsberg. Op 1.430 meter boven de zeespiegel, nadat hij had ontdekt dat daar vrijwel onophoudelijk water stroomde. Niet veel, maar genoeg om zijn plan uit te voeren. Dat was de tijd dat er geen vergunning nodig was voor een lokale knutselaar om zijn hobby uit te leven en gelijktijdig de natuur wat te verzieken met plastic pijpen en cement. Hij legde een “pijpleiding” aan om met het neerstortende water via een mini rad van metaal een dynamo aan te drijven die op zijn beurt een fietslamp liet branden die vanuit Ladismith was te zien. Als een helder sterretje hoog op de berg. Toen Stanley te oud werd om de berg te beklimmen en het onderhoud uit te voeren, namen vrijwilligers zijn taak over totdat de moderne gemakzucht toesloeg. Tegenwoordig straalt het sterretje dankzij een zonnepaneeltje.

Een kort bezoek aan het proeflokaal van de Ladismith Wynkelder, waar ik Towerkopwijn proef en Amalienstein dessertwijn koop. Amalienstein, de naam van het door zendelingen gestichte dorp een kilometer of twintig verderop. Langs de weg “klapperbos”, de stuiken met rose op lampionnetjes lijkende bloemen, waarvan mijn grootouders de gedroogde oranje variant altijd in een heel mooie vaas – van Gouds aardewerk? – hadden staan. Zoar en Amalienstein, een tweelingdorp. Kleurlingen die zich afvragen wat een blanke man hier heeft te zoeken. De blanke man die dat zelf ook niet zo goed weet. De meer dan solide Evangelisch Lutherse kerk die boven alles uitsteekt, maar van dichtbij ernstige tekenen van verval vertoont, ondanks een financiëële herstelbijdrage van de provinciale overheid. “Amalienstein Boerdery” staat op een bord bij de ingang van het dorp, een groot door de kerk gedreven bedijf derhalve. Tegenover de toegangsweg naar Amalienstein begint de weg naar de “Seweweekspoort”, natuurgebied en bergpas. Een stoffige niet geasfalteerde weg door, behalve de weg dan, niet verstoord natuurschoon. Rode zandsteen overheerst, de stralende zon zorgt er voor dat dat niemand kan ontgaan. Veel bochten, een stevige klim. Een enkele medeweggebruiker laat ik snel passeren om, bijna voetstaps rijdend, van de natuur te kunnen genieten.

wordt vervolgd