NIEUWE KAAPSE KRONIEKEN - 3 (27032009)

Zaterdag 14 maart 2009. Naarmate de weg hoger klimt aan de westkant van de Bainskloofpas, worden de vergezichten mooier. Zoals het hoort in Zuid-Afrika. Op de top een gehucht en gedenkstenen die op een paar ruwe rotsblokken zijn geschroefd. Naar het noorden uitzicht op de vallei aan de andere kant, de Tulbaghvallei. Aan de oostkant van de Limietberg daalt de weg scherp naar de Breederiviervallei, hetgeen alle aandacht van de bestuurder eist. De – originele? - vangrail bestaat uit stevige rotsblokken, dat zit dus wel goed. De waarschuwingsborden dat dit een weg met S-bochten is, bevestigen wat ik aan den lijve ondervind. De smalle weg slingert als een dronkenman. Er mag nergens worden gestopt of geparkeerd, maar waar een klein beetje ruimte is, doe ik dat stiekum toch. In de diepte is niet veel meer te zien dan de met grote rotsblokken bezaaide droge bedding van de Witterivier. Links zie ik in een flits een donkergroen geschilderd blok beton met het opschrift “DIE KRAMAT”. Daar moet ergens een Moslim heiligdom zijn. Stoppen en op ontdekkingstocht gaan is helaas onmogelijk. Een overhangende rots – doorrijhoogte 3m87 – heet toepasselijk “Dacre se Preekstoel”, het lijkt er inderdaad op een kansel. Vernoemd naar Dacre Stoker, een predikant en ver familielid van Andrew Geddes Bain, de bouwer van de pas. Aan de voet van de berg is de Tweede Tol alwaar kan worden gekampeerd en/of gepicknickt. Hier was Bain’s basiskamp gevestigd en naderhand een tolhuis. Daarna is de weg lekker vlak en recht en kan de omgeving weer worden bewonderd.

’t Is nog wat aan de vroege kant om om te keren en me bij de receptie van de “Oude Wellington” te melden. Via Wolseley, Ceres, Tulbagh en de Nieuwe Kloofpas – niet gebouwd door Bain - en vervolgens Wellington via de voordeur binnenrijden, is een mooi ommetje én een hernieuwde kennismaking met de Britse verdedigingswerken uit de Boerenoorlog. Langs mijn route staan verschillende Blockhouses, sommige in goede staat, één in verregaande staat van verval. Het waren tijdelijk bemande fortificaties van waaruit spoorlijnen en bruggen tegen Boerenaanvallen moesten worden beschermd. Die bij Wolseley en Wellington liggen er bij alsof ze een paar jaar werden gebouwd, die halverwege Tulbagh en Wellington is behoorlijk vervallen en onbereikbaar. Dat ding ligt op “privé eigendom” in een akker langs de spoorbaan. De belangstelling om geld uit te geven aan onderhoud is ruim honderd jaar na het einde van de Tweede Boerenoorlog kennelijk niet al te groot meer. Zeker niet bij de nu overwegend zwarte overheid. Aan de achterkant van de berg is het groen, aan de voorkant lijkt het af en toe op een beginnende woestijn. Dat is natuurlijk niet zo, maar de droge, schoon geoogste velden met hun zandkleur geven die indruk. Soms ver van de weg af wat kleine donkere stippen, vee dat de hooistoppels opvreet, soms een enkele boom, soms eenzame arbeidershuisjes.

Bij de rotsvast geloof uitstralende Nederduits Gereformeerde kerk sla ik linksaf Wellington in. Typisch zaterdagse drukte. Tweederde van de bevolking is volgens de statistieken “kleurling”, het is de enige bevolkingsgroep die op straat zichtbaar is. Zouden alle anderen elders winkelen? Het toeganspad naar de “Oude Wellington” wordt gemarkeerd door een groot wijnvat met twee laarzen erop, Wellington boots. “Ik heb gereserveerd en wil hier mijn verjaardag alvast vieren, dus even doorbijten” spreek ik mijzelf streng toe. Een kort ritje door de wijngaard voert naar een oude Kaap Hollandse boerderij die er perfect uitziet, behalve dan het uithangbord met een gele laars erop en “GASTHAUS” eronder. Er staat een Duitse dame in de receptie, alles ademt “ördnung muß sein”, het zij zo. Ruime kamer in de verbouwde stallen, een restaurant met chefkok bij wie Neerlands bloed door de aderen vloeit en een schuur waarin brandy wordt gestookt. Dr. Schumacher brandy. Dat kan er ook nog wel bij. Tijdens het wijn proeven, mijn prioriteiten liggen keihard vast, kom ik erachter dat Herr Doktor Schumacher de eigenaar is en hij zijn brandy eerst “Oude Wellington” wilde noemen. Er bestond echter al een cognac met een naam die daar erg op lijkt. Dan maar naar mijzelf vernoemen, moet die fantasieloze Duitser hebben gedacht. De met zijn been trekkende tandarts in ruste Dr. Schumacher heeft een ruim invaliditeitspensioen, dat hem in staat stelt zijn hobbies uit te leven. Wijn en brandy maken, een mooi guesthouse met alpaca’s – die hier helemaal niet thuishoren - en struisvogels in de ruime voortuin. De van de voordeur van zijn oude praktijk afgeschroefde naamplaat hangt in volle glorie in het proeflokaal, waar het enige dat wordt getrokken, de kurken uit de wijnflessen zijn. Het is het proeflokaal waar de Duitse dame achter de toog me kennis laat maken met Blanc de Noir en met Vasseco, een mousserende rosé.

Als ik de uitleg goed heb begrepen, is een Blanc de Noir – in mijn eigen woorden – een min of meer geaborteerde rode wijn. De schillen van de rode druiven worden drie uur na het persen uit de wijn in wording gehaald, dat is net lang genoeg om de drank naderhand zijn zalmroze kleur te geven. Goed gekoeld drinken en de dag kan niet meer stuk. Ik neem gelijk een fles mee naar het terras om in te gaan drinken voor het verjaardagsdiner later op de avond. Een jonge blonde Afrikaner vrouw met treurige blik, de gezelschapsdame van Dr. Schumacher, maar daar kom ik pas later – te laat dus – achter, drinkt een glas mee en we kletsen over de jaren zestig muziek op radio “ben jij daar ook zo dol op?”, wil ze weten. “Paroles, paroles, paroles”, zong de Egyptische zangeres Dalida in ongeveer diezelfde tijd. Veertig jaar later gaat dat zeer tot mijn spijt nog steeds op.

wordt vervolgd