|
DAGJE PERON - 2 (18022009) Net onderweg van La Plata naar San Vicente, onze volgende Peronistische bestemming, worden we afgeleid door een flinke aantal altaren voor de volksheilige Gauchito Gil. Die zijn op afstand te herkennen aan de rode lappen stof die in bomen hangen of rode vlaggen die er omheen zijn geplant. Niet dat dit ongebruikelijk is langs de Argentijnse wegen, maar hier staan er wel erg veel op een hoopje. Kapelletjes in allerlei soorten en maten. Sommige – dat Gaucho Gil me mag vergeven – lijken verdacht veel op een hondenhok, andere op een uitvergroot vogelhuisje. Er zijn zelfs mensen die met bakstenen en cement in de weer zijn geweest om Gauchito een meer solide en blijvend onderkomen te bieden. Ongeacht de vorm of het materiaal dat is gebruikt, staat er in ieder kapelletje tenminste één beeldje, maar meestal meerdere. Gewoonlijk is dat een Gil aan het kruis, gekleed als gaucho – de Argentijnse cowboy - , rode kaarsen, soms glazen en een fles drank of een rozenkrans. Af en toe een geschreven groet of bede. De ontroerendste vind ik een smeekbede die naast een groot geschilderd portret van hem is geschreven: “Oh! Gauchito Gil!..... ik vraag nederig om je bemiddeling bij God om het wonder waar ik om heb gevraagd te laten gebeuren. Ik verzeker je dat ik mijn belofte om je bij God te zullen aanbevelen na zal komen.” Even buiten het dorp Brandsen, halverwege, al weer zo’n enorme uiting van volksgeloof langs de weg. Deze keer, en dat zie je niet zo vaak rond Buenos Aires, is de verzameling altaartjes opgedragen aan La Difunta Correa. Die herken je door de grote hoeveelheden met water gevulde plastic flessen die er altijd omheenn staan en liggen. Van dichterbij ontdek je dan het beeldje van een liggende moeder met een zogend kind aan de borst, de beeltenis van La Difunta Correa en haar baby. De legende wil dat Deolinda Correa rond 1840, tijdens de Argentijnse burgeroorlog, op zoek ging naar haar zieke echtgenoot die kort daarvoor was gedwongen dienst te nemen in een lokale militie. Deolinda reisde met haar baby te voet door de woestijn van de provincie San Juan, tot haar water op was. Vermoeid ging ze in de schaduw van een boom liggen totdat ze stierf van de dorst. Toen ze dagen later door passanten werd gevonden, was de baby nog springlevend omdat de borsten van de dode vrouw door waren gegaan met het produceren van moedermelk. Deolina werd ter plekke begraven. De vondeling werd meegenomen met de bedoeling het bij de familie af te leveren. De volgende dag werd de baby helaas ziek en overleed eveneens. De vinders maakten rechtsomkeert om het bij de moeder te begraven. De flessen water die tot op de dag van vandaag door devote volgers bij de altaartjes van la Difunta Correa worden achtergelaten, zijn bedoeld de dorst van de volksheilige voor altijd te lessen. Juan Domingo en Evita Perón hadden even buiten San Vicente een “quinta” een buitenhuis op een terrein van 19 hectaren, waar sinds enige jaren het “Museo Histórica 17 de Octubre” is gevestigd. In het centrum van het dorp staat een borstbeeld van Evita, op de gevels van een paar huizen een “stencil”, een met hulp van een sjabloon en spuitbus gemaakt portret van het echtpaar. Tegenover de ingang van de “quinta” ligt, heel strategisch, het kantoor van de plaatselijke afdeling van het “Frente para la Victoria”, de partij binnen de Peronistische partij die wordt aangevoerd door de heer en mevrouw Kirchner, de huidige en vorige President. Verschillen van mening die zo nu en dan uitmonden in scheldpartijen en vechtpartijen horen bij de folklore van de Peronistische familie. Tot en met een veldslag tussen leden van rivaliserende vakbonden tijdens de herbegrafenis van Perón in 2006. Eenmaal door de poort wil ik per se eerst de Generaal even begroeten. Perón ligt begraven in een met vakbondsgeld in een hoek van de tuin gebouwd mausoleum. Hij ligt er hier stukken statiger en presidentieler bij dan voorheen in de met familieleden gedeelde grafkelder op de begraafplaats van La Chacarita. Terwijl ik opzichtige lelijkheid verwachtte, ziet het er verassend smaakvol uit. Het naastgelegen museum ziet er eveneens goed verzorgd uit. Uiteraard is de hele collectie gewijd aan Juan Domingo, Evita en aan de positieve invloed die beiden én het Peronisme op de sociale en economische ontwikkeling van Argentinië hebben gehad. Een dodenmasker van Evita, een exemplaar van “La Razón de mi Vida”, een model van de Pulqui, de Peronistische straaljager, een vitrine met onderscheidingen, een blauwdruk van “Ciudad Evita” de tuinstad die een schoolvoorbeeld is van Peronistische architectuur, verkiezingsaffiches. De bungalow is niet al te groot, maar comfortabel. In de salon hangt een foto van Prins Bernhard die Evita een onderscheiding omhangt, in de eetkamer kunnen twaalf gasten aanschuiven, kleine aparte slaapkamers. Het is een intiem huis op een enorme lap grond. In de tuin staan twee enorme marmeren beelden van Perón en Evita die deel hadden moeten gaan uitmaken van een monument opgedragen aan de Argentijnse “descamisados”, de arbeidersklasse. Na de militaire staatsgreep van 1955 werden ze onthoofd en in de Riachuelorivier gegooid. Een dag later zie ik toevallig de documentaire “Las Manos de Perón – de Handen van Perón” op de televisie. Net zoals het gebalsemde lijk van Evita herhaaldelijk door een hoge militair zou zijn verkracht, werd er ingebroken in het graf van de Generaal. Zijn handen werden afgehakt en meegenomen. Onthutsende beelden van een slordig in rokkostuum gestoken stoffelijk overschot met presidentiële sjerp over de borst. De mond hangt scheef open, alsof het stoffelijk overschot net een beroerte heeft gehad. Maar goed, deze keer had hij zijn hoofd mogen houden. Toch nog een soort “eind goed, al goed” van een Dagje Perón. |