|
OP ZOEK NAAR CHE - 3 (23022009) Er wordt zowaar zelfs iets opgebiecht in de voormalige herenboerderij van de Jezuïten in Alta Gracia. In een verduisterde zaal – kan wat hier wordt getoond het daglicht soms niet verdragen? - wordt een duister stukje verleden aan het licht gebracht. Het verleden waarover je in Argentinië zelden tot nooit wat hoort. Slavernij. “Toen de Jezuïten werden uitgewezen, waren er in Alta Gracia meer dan 300 negerslaven”, luidt de kop van de verklarende tekst bij het kunstwerk, want dat is het. Dat was in 1767. Het is een installatie die bestaat uit vijftien op de vloer geplaatste van binnenuit verlichte transparante perspex kastjes, ietsje groter dan een flinke schoenendoos, met potscherven erin en handgeschreven documenten. “Documenten bewijzen hun aanwezigheid in Alta Gracia tot ver in de 19e eeuw”, zo gaat de toelichting verder. “Ze werkten als voorlieden op de estancia, leerden een ambacht of werkten in de korenmolen, de velden of met het vee. De gebouwen, thans Werelderfgoed, zijn het zichtbare bewijs van het werk dat werd verricht door mensen die van zo ver weg hier naar toe werden gehaald. Hun nakomelingen zijn door alle lagen van de maatschappij hoofdzakelijk genegeerd. Hun opzettelijke afwezigheid in onze geschiedenis is hoognodig aan herziening toe en dient ons aan het denken te zetten over uitbuiting, discriminatie en marginalisering. Problemen waarmee we tot op de dag van vandaag worden geconftonteerd.” Bijna met stomheid geslagen lees ik deze onverwachte bekentenis nog eens een keer, maar het staat er echt. Alta Gracia lag aan de camino real – de Spaanse koloniale verbindingsweg tussen Buenos Aires en Lima, de hoofdstad van het Onderkoninkrijk van Alta Peru, waar Argentinië tot 1776 deel van uitmaakte. In het postkoloniale Peru en in de buurlanden Ecuador en Colombia zijn de nazaten van de Afrikaanse slaven nog altijd zichtbaar aanwezig in het straatbeeld. In Buenos Aires, wat mij betreft de blankste hoofdstad op aarde, was rond het midden van de 19e eeuw nog ongeveer een derde van de bevolking van Afrikaanse afkomst. In de tweede helft van diezelfde eeuw voerde de overheid een actief Omobeleid, een heel andere vorm van witwassen, dat er voor zorgde dat de zwarte medemens vrijwel geheel verdween. Als ik navraag deed en doe, kreeg en krijg ik steevast als antwoord dat alle negers dan wel tijdens de grote gelekoorts epidemie van 1870 zijn overleden of met z’n allen naar de andere oever van de Río de la Plata, naar Uruguay zijn verhuisd. Terwijl ter hoogte van de Plaza San Martín, waar ik jaren heb gewoond, de slavenschepen afmeerden, de lading werd gelost en verkocht en vervolgens afgemarcheerd richting Peruaanse mijnen. In Buenos Aires bleef “huishoudelijk personeel” achter en onderweg, zoals in Alta Gracia, kochten de Jezuïten dus slaven om hun huizen en kerken te bouwen en hun landerijen te bewerken. Sinds een paar jaar maken Afrikanen, zij het mondjesmaat, hun rentree in Buenos Aires. Het zijn vooral straatverkopers die vaak op een uitgeklapte parapluie geprikte vergulde kettinkjes, ringen en oorbellen aan de passanten proberen te slijten. Bling, bling van de allergoedkoopste soort. Net als de onze kralen en spiegeltjes van weleer, schijnt het te werken. Hoewel in de moderne tijd de handel niet tegen mensen wordt geruild, maar tegen geld. Het “Reloj Publico”, een grauwgrijze toren met vier wijzerplaten vlak onder de top, is een monument dat werd gebouwd om de 350ste verjaardag van de stichting van Alta Gracia te herdenken. De symboliek druipt er bijna van af. Op de vier hoeken onder de wijzerplaten afbeeldingen van een “Indio” de van zijn land verjaagde oorspronkelijke bewoner, een conquistador, een missionaris en een gaucho, de reresentant van degenen die de kolonie van buitenaf bevolkten. “Een eerbetoon aan hen die Alta Gracia maakten tot wat het nu is”. Gemakshalve wordt aan de negerslaven, die onder andere de kerk aan de ene kant en het grote spaarbekken – het allereerste in Zuid-Amerika - aan de andere kant bouwden, overgeslagen. In de toren is een kantoor van de VVV gevestigd, waar we de weg naar het Museo del “Che” Guevara vragen. De dame van dienst tekent het uit op een plattegrond, geheel overbodig zal achteraf blijken. Langs het in 1653 aangelegde meer wordt de braderie voor volgende week opgebouwd. We wandelen langs een soort informele monumentenroute, met op regelmatige afstand een richtingaanwijzer met ”MUSEO DEL CHE” of “CASA DEL CHE” of met gewoon “CHE GUEVARA” erop. Eerbewijzen aan onbekende en voor buitenstaanders totaal onbelangrijke mannen volgen elkaar op, met als opvallende uitzondering een heks op een bezemsteel hoog in een lantarenpaal. Er omheen hangen waarschuwingsbordjes “SI BEBISTE, NO MANEJAS”, als je gedronken hebt, niet achter het stuur. Zou dat soms als een heksentoer worden beschouwd? Na een half uur of zo bereiken we de op een heuvel gelegen wijk die Carlos Pellrgrini heet, maar door fanaten “el barrio del Che” - de wijk van Che - wordt genoemd. Mooie villa’s, zelfs als ze op het punt van in elkaar zakken staan. Hier woonden beslist geen minder draagkrachtigen, laat staan revolutionairen. Het vroegere huis van de familie Guevara, ligt aan de Calle Avellaneda. Langs de straat geparkeerde auto’s wijzen de weg naar “Villa Nydia”, het is te druk om het bescheiden ogende huis in te gaan. We hebben geen zin om te moeten duwen en trekken om deze pelgrimage, want dat is het, te bekronen. Het huis ziet er teleurstellend Popie Jopie uit. Een lullig beeldje van de jonge Che op een muurtje van de veranda met erachter een bizarre eeuwige vlam die uit een een slordige afgewerkte betonnen pilaar komt. We lopen een stukje verder, waar het doehetzelfbord “CAFE a la CUBANA” ons bijna moeiteloos naar binnen lokt bij “Sol de Polen en Barrio Che”. wordt vervolgd |