OP ZOEK NAAR CHE (15022009)

Op 28 september 2003 ontving ik een email van de mij onbekende landgenoot Arie Jan van Oostveen uit Alta Gracia. Hij schreef me dat hij in het derde antieke huis naast het voormalige woonhuis van de familie Guevara woonde, het huis waarin sinds 2001 het Che Museum is gevestigd. Interessant, maar het zei me niet al te veel, mijn studie in de “Chekunde” stond destijds dan ook nog in de kinderschoenen. Het bleef echter wel knagen. In de busterminal van Retiro, vlak bij mijn huis, ging ik naderhand poolshoogte nemen of er een bus naar Alta Gracia reed én om te ontdekken waar het stadje eigenlijk lag. Vlakbij Córdoba, de hoofdstad van de gelijknamige provincie, een uur of 10 rijden vanaf Buenos Aires. Daar bleef het verder bij, totdat de media in juli 2006 uitgebreid berichtten over het bezoek dat Fidel Castro en Hugo Chavez aan Che’s ouderlijk huis brachten. Dat was wat te ver van mijn toenmalige bed in de Dominicaanse Republiek om spontaan eenzelfde pelgrimage te maken, met als gevolg dat Alta Gracia opnieuw in de map “dingen die ik nog eens moet doen” bleef zitten. Tot het laatste weekeinde van januari 2009.

De afstand van Buenos Aires via Rosario en Córdoba naar Alta Gracia is ongeveer 800 kilometer. Niet naast de deur, zoiets als van Amsterdam naar Munchen rijden. Met het verschil dat tussen die steden prima vierbaans asfalt of meer ligt, hetgeen in Argentinië slechts zeer ten dele opgaat. Tot aan Rosario, waar Ernesto “Che” Guevara in 1928 werd geboren, gaat het goed. Kort daarna, tot vlak voor het dorp Carcarañá, ook nog. Dat wisten we al, omdat mijn reisgenoot en ik er twee weken geleden nog waren om een stukje van “de Dakar” te zien, de Latijns-Amerika versie van de gesneefde Parijs – Dakar rally. In Afrika zou het te gevaarlijk zijn geworden voor de deelnemers. Het demasqué van stoer doende watjes. Om het allerlaatste stukje van de race te kunnen zien, moesten we even buiten het dorp een flink stuk door de akkers met soja lopen, net toen de eerste motoren en quads passeerden. Daarna auto’s in alle maten en soorten en, na heel erg lang wachten, uiteindelijk de vrachtauto’s. Die waren het spectaculairst. Van veraf kon je die bakken in de vorm van een snel voortbewegende stofwolk zien aankomen, die daarna in een vloek en een zucht voorbij stoof. Nee, niets voor mij, zo’n dagje stofhappen in Nergenshuizen. Verbazingwekkend was het aantal mensen dat langs de hele weg terug naar Buenos Aires stond om een glimp van de rally op te vangen, want meer was het niet. Bermtoerisme van een wat vreemde, doch verder geheel onschuldige soort.

In Carcarañá is het opeens gedaan met het lekker opschieten. Tweebaansweg, in de dorpen langs de weg te veel verkeersdrempels, die hier zo mooi lomos de burro oftewel ezelsruggetjes heten, te veel niet gesynchroniseerde verkeerslichten dus geen groene golf, veel te veel langzaam rijdend vrachtverkeer dat niet kan worden ingehaald. Met andere woorden: de gemiddelde snelheid van ruim boven de 100 kilometer per uur, zakt naar minder dan 50. Het voelt als stapvoets. Dat zou niet zo erg zijn als er wat landschappelijk schoon zou zijn te bewonderen, maar die akkers waarop alleen maar die lage groene sojaplantjes staan, beginnen na een paar honderd kilometer knap te vervelen. De enige echte afwisseling is Bell Ville, een regelrechte ballentent. Dit dorp is vast en zeker het ballencentrum van Argentinië. Of het dorp met de intrigerende naam Fotheringham of de bezinestations van het merk Aspro. Hoe was het ook al weer “Aspro helpt sneller omdat het bruist“? Zou Aspro loodvrije superbenzine dat zelfde effect hebben? Bij Tortugas passeren we de grens tussen de provincies Santa Fe en Córdoba. Net een grenspost. Alsof er bij de Moerdijkbrug een stevige controle zou zijn voordat je Noord-Brabant in mag rijden. Buenos Aires ligt inmiddels ruim 400 kilometer achter ons. We zijn zowaar min of meer halverwege.

Na zowat 700 kilometer, niet te ver van de stad Córdoba, wordt de weg weer vierbaans, verdwijnt de soja en verschijnen er bomen langs de weg. Voor de afwisseling, zal ik maar zeggen. Het begint te schemeren als we de rondweg oprijden. Nu Alta Gracia nog. Een keer mis, twee keer mis, maar uiteindelijk zitten we weer goed. Op de Ruta 5. We passeren een gigantisch lelijk monument, dat zowel qua het ongebreidelde gebruik van beton, als qua absolute lelijkheid sterk herinnert aan het eveneens onooglijke Taalmonument bij Paarl in Zuid-Afrika. Geen tijd om te stoppen. We hebben geen hotel gereserveerd en slapen als het even kan liever niet in de auto of bij het Leger des Heils. We gaan Alta Gracia binnen door iets dat op een stadspoort lijkt. We rijden door het stadje tot aan wat het centrum lijkt te zijn, stoppen bij het eerste de beste hotel “Apart Hotel La Posada” en hebben gelijk een ruime kamer voor relatief weinig geld te pakken. De aardige jongedame van de receptie raadt ons aan om de hoek bij de Trattoría Oro te gaan eten. Zelf heeft ze er waarschijnlijk nog nooit gegeten, of ze heeft gewoon een nog niet geheel ontwikkeld smaakgevoel. Matig eten, slechte bediening, matig drinken, goed geprijsd. Een combinatie die waar ook ter wereld op de een of andere manier niet klopt. De positieve uitkomst van de wandeling naar het restaurant is wel dat we ontdekken onbedoeld zeer strategisch in het oude centrum van Alta Gracia te zijn beland. Naast het door de Jezuïten, de Spaanse koloniale religieuze stoottroepen, in 1653 aangelegde Tajamar, een kunstmatige meertje, naast de Jezuiten Hacienda – nu een museum - en de oude kerk en tegenover de in 1938 gebouwde Torre del Reloj. Dat is een opvallend lelijke klokkentoren, die werd gebouwd om de 350ste verjaardag van de stichting van Alta Gracia te herdenken. “Lelijkheid kent geen tijd” is het enige wat me bij het zien van dat onding te binnen wil schieten.

wordt vervolgd