|
OP BEDEVAART NAAR LUJAN - 2 (2612008) De Sœurs Serveuses biedienen ons gelukkig niet in de katholieke zin van het woord, vallen ons niet lastig met hun missionaire opdracht en schotelen ons porties voor die groot genoeg zijn om een klein gezin te voeden. Smakelijke kipschnitzels, “milanese de pollo” heten die dingen in Argentinië, maar beslist niet de hoogwaardige internationale keuken die de website van ”Eau Vive” belooft. Les Sœurs Cuisinières zijn eerder aan de sobere kloosterkeuken gewend, dan aan de wereldse haute cuisine. De zusters zijn religieuze expatriates uit Gabon, Ivoorkust en Bukina Fasso. Ze gaan, zo zeggen ze, overal naar toe, waar de kerk hen naar toe stuurt. Naast Ouagadougou, hebben ze eerder in Rome gewerkt. Na de lunch mogen we een kijkje in de keuken nemen en kletsen gezellig met de meiden, want dat zijn het. Heerlijk is het om herinneringen op te halen aan de Ivoorkust, Ghana en Gabon en om weer eens Frans te kunnen lullen. En wie in Argentinië kan nu uit eigen ervaring meepraten over de markt van Mont-Bouet in Libreville of de toeristenmarkt van Plateau in Abidjan? De schrijver dezes dus. Verzadigd en verkwikt gaan we met de bus naar de basiliek van Nuestra Señora de Luján. Hoewel de Maagd nog nooit in Luján is verschenen – maar wat niet is kan nog komen – hebben er in de tweede helft van de 17e en in de loop van de 18e eeuw wel de nodige wonderen rond haar beeldtenis plaats gevonden. Volgens de overlevering althans. Een beeldje dat door een Portugese immigrant was besteld, een postorder avant la lettre, voor het kapelletje op zijn erf. Onderweg begon de dame capricieuze trekjes te vertonen. Zo was, volgens “ooggetuigen”, de wagen waarin ze werd vervoerd, op een gegeven moment niet meer vooruit te branden totdat het beeldje was uitgeladen. Zou ze wagenziek zijn geweest? Die gebeurtenis zou er voor hebben gezorgd dat Manuel, een jonge negerslaaf uit de buurt die getuige van dat al was, de rest van zijn leven aan haar zou wijden. Er zouden vele andere mirakels volgen die Luján tot een bedevaartsoord maakten en uiteindelijk zelfs tot de bouw van de basiliek zouden leiden. De eerste steen daarvoor werd in 1887 gelegd, de inwijding vond plaats in 1930, de oplevering in 1935. Over lange termijnprojecten gesproken. De basiliek staat er buitengewoon dominant bij, zoals het geloof dat ze representeert dat eist. Bovenop de ene 106 meter hoge toren staat de beeldtenis van de Maagd van Luján met het wapenschid van Argentinië aan haar voeten. Bovenop de nadere toren staat, geloof ik, een getileerde bisschopsmijter. Het godshuis wordt gerestaureerd, vooral de ornamenten van de buitenkant worden opgepoetst met onder andere mijn belastinggeld. Net als in andere voormalige Spaanse kolonieën in Latijns-Amerika, wordt er niet al te fanatiek de hand gehouden aan de scheiding tussen kerk in staat. Naast het toegangshek staat een bak met stukken marmer, brokken van wat werd gesloopt om te worden vervangen. “Desgewenst kunt u als herinnering een stuk marmer meenemen” wordt de bezoeker aangemoedigd. Zodoende staat er nu een brok gezegend marmer in mijn studeerkamer. We struinen door de kerk “Biechten, dagelijks van 08.00 tot 20.00”, vrijwel iedereen wil op de foto met Nuestra Señora. Wij laten beide beurten schieten. Dat Jezus de wisselaars uit de tempel verdreef, hebben ze hier ter harte genomen. De stalletjes van de souvenirverkopers, die immers op het geloof van de pelgrims parasiteren, staan net buiten het hek en rond het grote plein voor de kerk. Het ziet er nogal uniform uit. De stalletjes, de handel, de kleding van de verkopers, de prijzen. Het zal de in reliegieuze trance verkerende pelgrim ongetwijfeld lang niet zo opvallen als deze stijle Calvinist. Snel een rondje langs de aan de overkant gelegen musea, die zijn gevestigd in de daar gelegen historische gebouwen. Een mooie collectie van aan de Argentijnse “gaucho cultuur” gerelateerde voorwerpen waarvan er veel met zilver zijn beslagen. In de koloniale tijd heette het Spaanse onderkoninkrijk niet voor niets “La Plata – Het Zilver”. Nee, foto’s maken mag absoluut niet, zelfs niet van een armenleitje. Een bakje gevuld met zand waarin met een stokje kan worden geschreven. Het beschreven zand met een plankje gladstijken en de rekenles kon beginnen. Het naastgelegen Transportmuseum heeft vooral een mooie collectie rouwkoetsen uit de tijd van Don Camillo, maar huist ook de eerste locomotief die tussen Buenos Aires en Luján reed en zelfs een watervliegtuig! De busterminal is voor mijn gevoel het buitenmuseum. Het va et vient van mensen, de afbeeldingen van de beschermheilge en als pièce de résistance een openbare liefdesverklaring. Van Pablo Lopez. “Silvia Ester Albornoz, is de vrouw van wie ik houd. voor haar leef ik, dankzij haar adem ik, ik zoek haar, ik heb haar nodig, alleen zij kan mijn hart rust geven, ik houd van haar, zij is de enige vrouw voor mij”, staat er op de handgeschreven “opsporing verzocht” affiche. Een vurige Latijnse openbare liefdesverklaring van heb ik jou daar. We nemen een andere snelbus terug naar Buenos Aires. Ietsje duurder, een half uur sneller. Op schema totdat kwajongens langs de snelweg een kei door een ruit gooien. De chauffeur kachelt door tot een vluchtstrook vlakbij een benzinestation. “Eerst gooien ze een steen door de ruit. Dat dwingt mij tot stoppen. Daarna klimmen ze naar binnen en beroven de passagiers”. Vandaag gelukkig niet, we boffen. Hoewel een lichte twijfel toeslaat. Zou het kunnen zijn dat we dankzij onze toeristisch bedoelde bedevaart zowaar door de Maagd van Luján voor het onheil werden behoed? |