|
NUEVA POMPEYA (20112008) Het enige wat ik van Nueva Pompeya weet is dat dit stadsdeel aan de buitenkant van Buenos Aires ligt en dat er daar over de oprit naar de brug over de zwaar vervuilde Riachuelorivier een totaal uit de toon vallend gebouw in Spaanse stijl staat. Gelukkig is Silvia, mijn masseuse, een prima vraagbaak. Terwijl zij mijn lichaam stevig onderhanden neemt, krijg ik de informatie die ik nodig heb op de koop toe. Van nuttig tot triviaal, met af en toe een vooroordeel als toegift. “Wat heb je daar nu te zoeken?” Ze raadt me absoluut af om er met de bus toe te gaan. “Levensgevaarlijk! Die rijdt door de villas – de sloppenwijken - daar wonen veel Bolivianen, Peruanen en Paraguyanen. Drugdealers, aanranders, dieven en moordenaars”. Mijn tegenargument dat het doodnormale mensen zijn die in hun leven wat minder geluk hebben gehad dan zij en ik, vindt nauwelijks weerklank. “Voor de wandeling door de wijk om drie uur verzamelen voor de ingang van de basiliek” meldt het programma van het Ministerie van Toerisme van Buenos Aires. Vrijwel iedere week wordt er zo’n wandeling georganiseerd die is bedoeld om de Porteños onder leiding van een ter zake kundige ambtenaar hun stad beter te leren kennen. Zo kom ik soms op plekken, waar ik nooit eerder ben geweest. De bus stopt op het plein tegenover de kerk. Het verbaast me allerminst heelhuids te zijn gearriveerd. Dat gezeik over de sloppenwijken doet me weinig en laat me verder koud. Maar toch. Ik ben ruim op tijd van huis gegaan, niet om het noodlot extra te tarten, maar om als voorafje die in 1896 gebouwde brug te gaan bekijken. Die heette eerst Puente Alsina, werd in 1938 omgedoopt in Puente Uriburo, maar kreeg in 2002 zowaar zijn oorspronkelijke naam terug. Het is een van de drukste knooppunten tussen de hoofdstad en de provincie Buenos Aires. Hoewel ik niet rook, krijg ik al wandelend van de bushalte naar de brug in minder dan een uur meer rotzooi in mijn longen dan iemand die iedere dag twee pakjes cigaretten rookt. Gatverdamme, wat een stank, wat een verkeerslawaai! De brug heeft echter iets magisch. De oprit zou de oprijlaan van een paleis kunnen zijn, het stadspaleis van een rijke stinkerd. Maar dan wel ergens in Spanje en niet ergens in de marge van de Argentijnse hoofdstad.. Aan de zijkant is zo’n typisch Spaanse fontein gebouwd met van die mooie tegeltjes. Ernaast staat een ode aan de brug die werd geschreven door Homero Manzi, de beroemdste inwoner die de wijk ooit had. Achter de fraaie façade valt de brug, een lullig soort Bailybrug, haast van ellende uit elkaar. Als dat ding niet snel wordt gerenoveerd, zakt er binnenkort vast en zeker een zwaar voertuig door het wegdek heen. Het aantal belangstellenden voor de wandeling valt gelukkig mee. Niet meer dan vijftien. Eerst de basiliek wat beter bekijken. Naast de ingang een huldeblijk aan Homero Manzi voor zijn tango “Sur”, in de etalage van de parochiewinkel ontdek ik zowaar een nieuw genre lektuur: “Marialogia”. In de kerk is het druk. Biechten en bidden van heb ik jou daar. Voordat we de trap opgaan naar het beeld van de beschermheilige van de wijk, drukt de gids ons op het hart de gelovigen die op hun kieën naar boven klimmen vooral niet te storen. Geloven die mensen nu echt een wit voetje te kunnen halen bij onze Lieve Heer door zichzelf zo te kastijden? In een vleugel van de kerk staan de karren geparkeerd met de heiligenbeelden erop die worden meegetroond in de heerlijk ouderwetse straatprocessies. Op de patio is het dringen geblazen rondom de fontein die heilig water zou bevaten. Hoe was het ook al weer “zalig zijn de eenvoudigen van geest”? Zo te zien zijn er daar aardig wat van in Nueva Pompeya. Na de basiliek op naar het andere heiligdom, het aan Homero Manzi gewijde Museo Manoblanca. Het ligt een paar straten verderop en is niet te missen. Alom verwijzingen naar Manzi. Op de gevel van Café Buzón staan zijn woorden “Er staan twee wegen voor me open. Een man worden die teksten bestudeert of één die teksten schrijft”. Het werd dus tekstdichter, “poeta” zoals dat heet in Buenos Aires. Manzi, die in 1951 op 44 jarige leeftijd overleed, schreef een paar tangoklassiekers die, vaak opgefrist door een hedendaagse arrangeur, nog regelmatig worden vertolkt. Zoals bijvoorbeeld “Barrio de Tango”, “Sur” en “Malena”. Het museum blijkt een museumpje te zijn dat is gevestigd in de woning achter een buurtwinkel in werkkleding. Op de zijgevel staat de tekst van “Manoblanca”, dat gaat over een paard met een “mano blanca” oftewel een wit voetje. Zoals veel tangueros, was Manzi een liefhebber van de paardenrennen. De eigenaar ontvangt zijn gasten op de miniscule patio met namaak waterput. Aan de hoge muren oude reclameborden met in het midden een enorme wandschildering van een muze die bandoneon speelt terwijl Manzi vanuit de tangohemel toekijkt. De “museumdirecteur” is een man met een zwaar uit de hand gelopen hobby die de resulaten van zijn verzamelwoede onbeschroomd met anderen deelt. In de voormalige slaapkamers erg veel afbeeldingen van tangoberoemdheden, een collectie zakhorloges, blikjes en doosjes met produkten van vroeger. De muren van het kamertje achter de winkel – met zo’n raam waardoor je kan zien wat er daar gebeurt, zonder dat men jou kan zien - zijn eveneens van vloer tot plafond behangen. Met foto’s van Manzi, beroemde tijdgenoten en oude foto’s van de buurt. Het moet er snel bergafwaarts zijn gegaan. In 1948 schreef Manzi in de tekst van “Sur” over de “droefdheid omdat de buurt zo is veranderd en de bitterheid over een droom die verdween”. Als je, zoals ik vandaag, hebt gezien hoe Nueva Pompeya er tegenwoordig uitziet, is het moeilijk voor te stellen dat het ooit een prachtwijk moet zijn geweest. |