|
BANJEREN DOOR BARRACAS - 2 (10112008) Het magazine Argentimes beschrijft het effect dat het kunstzinnig opfleuren van de gevels in de Calle Lanín heeft gehad enigszins profaan als “De wederopstanding van de Calle Lanin”. De man die de wederopstanding op zijn geweten heeft, de beeldend kunstenaar Marino Santa María, is de eigenaar van nummer 33, zijn atelierwoning. De gevel van zijn eigen huis heeft hij met overwegend blauwe en groene mozaïektegeltjes bekleed, die het een fraai abstract uiterlijk geven. Het is zo’n typisch Buenos Aires huis uit het begin van de vorige eeuw, een “casa chorizo – een worsthuisje”. Een meter of zes breed en heel erg diep. Eén enkele verdieping, entree, hal en salon aan de voorkant, de ramen aan de straatkant hebben hoge metalen blinden, de achterliggende vertrekken liggen deels rondom een niet al te grote binnenplaats. Dit geeft het huis de vorm van een halve Hema rookworst, vandaar. Goed voorbeeld deed goed volgen. Sinds de artistieke gevelrestauraties in 2001 begonnen, hebben bijna veertig buurtbewoners de artiest gevraagd om hun voorgevel op te knappen. Het keuzemenu bestond uit abstracte werkjes van Santa María, die het gekozen werk daarna gratis op vergrote schaal uitvoerde. Eerst met verf en later met gesponsorde mozaïektegeltjes van 1 x 1 cm. Veel te veel pasteltinten valt me op, niet echt mijn lievelingskleuren. Maar wie weet wel van Latino’s, hoewel ik me dat nauwelijks kan voorstellen. Waarom weet ik eigenlijk niet. Ik verwacht vlammende kleuren, opwinding. Een vooroordeel? Te vaak lijkt zo’n huis op een verkeerd opgemaakte suikertaart met slechts af en toe een verassing. Zoals het huis van de overburen van de artiest, dat er tenminste lekker optimistisch uitziet. Hoewel dat natuurlijk weloverwogen eigenbelang kan zijn geweest, want wie wil er nu iedere dag tegen de iets aankijken dat hem niet aanstaat? Tot en met de gevel van het hoekpand van het Leger des Heils, het Hogar de Hombres – het Mannenhuis, is met veel saai zacht groen en vervuild lila behandeld. Niet echt stoere masculiene kleuren. En dan is er die raadselachtige gedenksteen onder het wapen van het goed bedoelende leger: “Dit instituut werd op 9 februari 1912 geopend door Don Joaquin S. de Anchorena, tijdens het mandaat van Commissaris Ridder Ulysse Cosandey”. Anchorena was in die tijd burgemeester van Buenos Aires en Cosadey een hoge Leger des Heilsome. Er is meer. Santa María heeft aan het einde van de straat een openluchttentoonstelling van zijn favoriete Argentijnse schilderijen georganiseerd. Ze hangen aan de hoge retentiemuur van het spoorwegtalud. Niet de originele werken, maar digitale kopieën op perspex, gevat in een uniforme klassieke lijst van plastic. Een officiële ingreep in het stedelijke landschap die wordt gesubsidieerd door het stadsbestuur. Elders in de stad zijn er juist steeds meer ongewenste ingrepen te zien, het lijkt wel een plaag, die er soms stukken aardiger en origineler uitzien. Inderdaad, graffiti. Zoals het ludieke anti Starbucks protest in het stadsdeel Belgrano. Door het logo slim te bewerken staat er opeens “Starbucks fuck off” of de blote strenge meesteres bij mij om de hoek in San Telmo. Ergens in Barracas moet een Vrijmetselaarsloge zijn. Al jaren maak ik waar ook ter wereld foto’s van logegebouwen voor een vrijmetselende oud collega, anders was ik er waarschijnlijk nooit naar op zoek gegaan. In de grijzegehaktballenstraat is het gebouw niet te missen. Deze gevel is stukken aparter dan de door Santa María gerenoveerde gevels in de Calle Lanín. Te gek wat hier tegen het einde van de 19e eeuw midden in een eenvoudige arbeidersbuurt werd gebouwd. “Hijos del Trabajo – Zonen van de Arbeid” heet de loge dan ook heel toepasselijk. De naam staat duidelijk op de gevel, net boven de vrijmetselaarssymbolen, de passer en de winkelhaak en het alziend oog in een driehoek. De rest is pure Egyptologie. Sfinxen boven de ingang en obeliskjes en een reliëf met een piramide en een sfinx in de woestijn. Cheops? Net onder de daklijst een mythische vogel met wijd gespreide vleugels met op borsthoogte twee cobra’s gekruld om een ronde schijf. Een oud Egyptisch symbool voor bescherming. Maar wat heeft dit alles nu met de Vrijmetselarij te maken? Niets toch? Terwijl ik de loge sta te bewonderen, begint een buurtbewoner mij ongevraagd toeristische tips te geven. Aldus beland ik bij het oude stationnetje uit de 19e eeuw met een façade die dezelfde roze kleur heeft als het Casa Roasada. Slechts dankzij het vakmanschap van destijds staat het nog overeind. De staat van ontbinding moet jaren geleden zijn ingezet. Het is verveloos, het is verlopen, alle deuren – behalve de hoofdingang – zijn dicht gelast. Schuin er tegenover, op de hoek van de Calle Villarino, is het restaurant “El Barracas” dat dubbelt als de “Esquina del Polaco Goyeneche”. De “Hoek van Goyeneche”, een fameuze tangozanger. Een plaquette naast de entree bevestigt dit, verder niets. Het restaurant figureerde als de bar “Sur” in de gelijknamige film van Fernando Solanas waarin Goyeneche in een cameo optreden de tango “Vuelvo al Sur” zong. Een aardige dame nodigt mij binnen en geeft een rondleiding. Hoewel het restaurant ver van het tangocircuit ligt, is het een typisch toeristische “cena y show” eetgelegenheid. Klein podium met een kleine dansvloer ervoor en veel tafels. Ik verwachtte tenminste een hommage aan Goyeneche, maar nee hoor een buste Carlos Gardel, een andere tangolegende, is het enige aandenken aan de goede oude tijd. Helaas kan niemand mij het verband tussen Goyeneche – die wat mij betreft de “Balada para un Loco” van Piazzolla en Ferrer het allermooist vertolkte – en het restaurant uitleggen. Of zou het de film zijn en verder niets? Zo eindigt de lange wandeling door Barracas onverwacht met een onopgelost mysterie. |