|
BANJEREN DOOR BARRACAS (01112008) Aan de noordkant van Buenos Aires, in Barrio Norte, wonen de beter gesitueerde Porteños, aan de zuidkant liggen de volkswijken. Zoals La Boca, Constitución, Nueva Pompeya en Barracas. Barracas, zo wordt op een buurtwebsite uitgelegd, is afgeleid van het woord “barraca” een tijdelijk eenvoudig onderkomen dat is opgetrokken met evenzeer eenvoudige bouwmaterialen. Kortweg een krot. Barakken die een paar honderd jaar geleden langs de oevers van de Riachuelorivier werden gebouwd om van alles en nog wat in op te slaan, tot en met de negerslaven. Een tijd lang ging het goed met de wijk, welgestelde families woonden er, totdat aan het einde van de 19e eeuw de gele koorts toesloeg en zij die het zich konden permitteren naar de noordkant van de stad verhuisden. Barracas, in de schaduw van de havenwijk La Boca, veranderde in een arbeiderswijk met pakhuizen en fabrieken. Die industrie ging in de twintigste eeuw naar de gosjemijne, de vaak enorme pakhuizen dienden ook al tot niets meer omdat de haven het langzaam maar zeer zeker voor gezien hield. Als je in La Boca langs de verzande en stinkende havenmond loopt, is er weinig voorstellingsvermogen nodig om te begrijpen dat het achterland onontkoombaar in de neergang werd meegesleurd. Op mijn wandeling naar de wijk toe is de rijkdom van weleer hier en daar nog te bewonderen. De mooie hal van het station van Constitución, huizen langs de Avenida Montes de Oca, het gebouw waarin de koffiebranderij en chocoladefabriek “El Aguila – de Adelaar” was gevestigd. Grote stenen adelaars sieren nog steeds de gevel van het inmiddels gerenoveerde gebouw. Vroeger werd er zichtbaar meer aandacht en geld aan industriële architectuur besteed, iets dat geheel onbedoeld wordt bewezen door het naastgelegen pand waarin een bouwmarkt is gevestigd. Zo’n oerlelijk bouwmarktgebouw, dat voor zo min mogelijk geld werd neergezet en ongetwijfeld bij de “pragmatische architectuur” wordt ingedeeld. Als er tenminste zo’n categorie bestaat. Wat nog erger is, is de snelweg op hoge betonnen poten die dwars door de wijk werd gebouwd en waarvoor een flink deel ervan met de grond werd gelijk gemaakt. Een paar blokken naar rechts, van noord naar zuid gaand, ligt het talud van het spoor, waar de treinen van de spoorwegmaatschappijen Generaal Roca en Buenos Aires Treinen aan en af rijden. Sporadisch wordt een oude fabriek of een oud pakhuis nieuw leven ingeblazen door het gebouw op te knappen en er bedrijfsruimten voor het midden- en kleinbedrijf in te creëren. De globale trend wordt hier keurig op de voet gevolgd. De huizen tussen de snelweg en de spoorweg zijn over het algemeen laag, van klaar voor de sloop tot best elegant. Geen woontorens of zo. Dit minder gewilde deel van de buurt heeft voorlopig zowaar uitstel van executie gekregen van de gekkigheid die aan de andere kant van Buenos Aires heerst. Gelukkig maar. Elders worden complete wijken verziekt bij gebrek aan doordachte stadsplanning en de ambtelijke corruptie die alles mogelijk maakt wat een projectontwikkelaar zich maar kan wensen. Diep weggestopt in de wijk blijken kleine juweeltjes te liggen, zo ontdek ik. De Calle LanÍn, een oude Vrijmetselaarsloge, een oud stationnetje, een aan de tangolegende Roberto Goyeneche – el Polaco – opgedragen horecagelegenheid. In de Calle LanÍn heeft de beeldend kunstenaar Marino Santa Maria een “intervención urbana - een ingreep in het stedelijk landschap” gepleegd. Geen al te zware overigens. Santa Maria heeft de gevels van dit voor Buenos Aires ongebruikelijk korte straatje onderhanden genomen en veranderd in een kunstwerk van een paar honderd meter lang. Wat slordig qua stijl, dat wil zeggen niet overmatig homogeen. Anarchistisch wellicht? Smakeloos? Of gewoon het Karel Appel mantra van “ik rotzooi maar wat aan” toegepast? Eerst goed kijken, daarna pas afkammen of ophemelen. Het is een mooie herfstmiddag, de zon schijnt, de omstandigheden zijn optimaal. In een gevellijst aan het begin van de straat annonceert de kunstenaar zijn werk met van die kleine mozaïeksteentjes. Een weinig belovende handtekening van de lulligste soort. Het klassieke lage huis aan de overkant ziet er best aardig uit, maar niet spectaculair. Reikende handen zijn het, handen die je bijna de confiteria, die in het pand is gevestigd, naar binnen trekken. De tot bedrijfsgebouw verbouwde fabriek een driesprong doet niet mee. Een randje gekleurde terrazzosteentjes tegen de gevel en rondom de in het trottoir uitgespaarde ruimte rond een boom. Met mijn rug sta ik tegen de rood wit gevlekte blinde muur van een buurtwinkel. Aan de daklijst hangt een bord “TE KOOP”. Een huis met een kunstwerk op de buitenmuur, wie zou dat niet willen hebben? Dat zou best eens tegen kunnen vallen. Zelf bezat ik ooit een huis waarvan de garagedeur door een bevriende kunstenares tot een grootformaat schilderij – acryl op metaal - was omgetoverd. Wij waren er zeer mee in ons schik, de koper jaren later stukken minder. In het kantoor van de notaris, de koopakte moest nog worden getekend, kondigde hij onomwonden en ongevraagd aan dat het eerste wat hij zou gaan doen, het overschilderen van de garagedeur zou zijn. Jeetje, wat voelden wij ons afgezeken, echter niet genoeg om de verkoop niet door te laten gaan. De woningmarkt midden jaren tachtig van de vorige eeuw was totaal ingezakt en kopers stonden niet bepaald in de rij. Vandaar. wordt vervolgd |