KAAPSE KRONIEK - 73 - EPILOOG 2 (30102008)

Zondag, 17 augustus 2008. Mooie, inmiddels wat gedateerde boeken, van Alan Patton, de schrijver van het beroemde “Tranen over Johannesburg”. Van hem lees ik “Debbie go home” uit 1960, “Verhalen uit een verscheurd land” uit 1961 en “De ijzeren wet” uit 1963 (2e druk). Vooral dit laatste boek maakt indruk. Het gaat over de immoraliteitswet die seksuele omgang tussen de rassen regelde, of beter gezegd: ontregelde. Dat werd door die wet namelijk verboden. Een jaar of zestig later werd er nog een schepje bovenop gedaan, want in 1927 werd homoseksualiteit stukken minder openbaar beleden dan in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Daar moest uiteraard streng tegen worden opgetreden door de Nederduitse Gereformeerde mannenbroeders. Pieter-Dirk Uijs, beter bekend als zijn alterego Evita Bezuidenhout, beschreef in een van zijn columns in het dagblad Die Burger een verrukkelijk verboden homoseksueel contact met een kleurling. Dat was zoiets als stiekum hash roken in een land waar dat streng verboden is, zonder te worden betrapt. Zou ik destijds eigenlijk wel een verblijfsvergunning voor Zuid-Afrika hebben gekregen als de autoriteiten op de hoogte waren geweest van mijn zwarte verloofdes en echtgenotes? Waarschijnlijk wel. Maar hen meebrengen, gezellig samen uitgaan of in hetzelfde hotelbed slapen was er vast en zeker niet bij geweest. Zo waren er in het kantoor waar ik werk zelfs afzonderlijke toiletten voor blanken en voor hen met een andere huidskleur en stonden de bureaus van die gekleurde collega’s in een aparte ruimte. Niet te geloven toch?

Zoals in het naoorlogse Nederland de Tweede Wereldoorlog dominant aanwezig was in de literatuur, is dat in Zuid–Afrika het geval met de apartheid, het verzet ertegen of de gevolgen ervan. Patton verzette zich openlijk tegen de apartheid, anderen werden er door geïnspireerd of voelden zich verlplicht er zich op hun manier – met de pen - tegen uit te spreken. Zoals de schrijfster Menán du Plessis. Die doceerde aan de Universiteit van Kaapstad - destijds beter bekend als “Moskou aan de Kaap” – en was lid van het multiraciale oppositionele United Democratic Front (UDF) dat vrijwel dezelfde politieke doelstellingen nastreefde als het verboden ANC. Doch geweldloos. Ik weet bijna zeker dat haar verzetsromans “Staat van Angst” en “Longlive!” autobiogratisch zijn. Verzet, geheime vergaderingen, demonstraties, burgerlijke ongehoorzaamheid, bruut politieoptreden, begrafenissen. De achternamen van een aantal personages in “Longlive” zijn het koloniale brandmerk van kleurlingen: Chris Braaf, Marisa Siervogel, Desiree September. Het verhaal dat zo intrigerend begint, gaat uit als een nachtkaars. “In Kaapstad kan je niet verdwalen” is een bundel samenhangende korte verhalen van Zoe Wicomb, waarin de de rassenscheiding tot in het extremene de rode draad vormt. Tot en met een illegale abortus van een kleurlinge die zwanger is van een blanke jongen. De blanke vrouwelijke aborteur zoek meerdere malen bevestiging dat het meisje echt blank is, want “op deze sofa heeft nog nooit iemand die niet blank is gelegen”.

Als tussendoortjes lees ik “De Trek” van oud NRC correspondent Peter ter Horst en “El Negro en ik” van Frank Westerman. Beide zijn informatief en zeer de moeite waard. Meer dan “In ongenade” een niemandalletje van Nobelprijswinnaar J.M. Coetzee. Het boek gaat over een post-apartheid professor aan de Universiteit van Kaapstad die na een affaire met een studente op non-actief wordt gesteld. Autobiografisch? Coetzee was uiteindelijk bijna 20 jaar hoogleraar Engels aan de UCT. In “Kikuyu” van Etienne van Heerden figureren een leergierige zwarte ober die van een hoteleigenaar geen boeken mag lezen omdat hij anders “veel te bijdehand wordt” en een zwager, hoge ambtenaar in Pretoria die “Broederbondschoenen” draagt. Ongetwijfeld realistische beelden uit het dagelijks leven van toen. Jeanne Goossen schreef ruim voordat “Triomf“ van Marlene van Niekerk werd gepubliceerd al over “arme blanken“. Zoiets werd in die tijd toch min of meer als het bevuilen van het eigen nest beschouwd. Haar boek “Ons is nie almal so nie“ speelt in de buurt van Kaapstad op het moment dat niet blanken worden gedwongen om te verhuizen uit de „slegs vir blankes“ verklaarde wijken en kleurlingen ook niet meer met blanken in dezelde bioscoop van een film mochten genieten. Uiteraard speelt de apartheid een rol in een aantal boeken van André Brink die ik las: “Geruchten van regen”. “de Ambassadeur” en “Zandkastelen”. Als afscheidscadeau krijg ik Brink’s nieuwste “Ander lewens”. In het Afrikaans. Want, zo had ik al snel door, Afrikaans lezen valt reuze mee als Nederlands je moedertaal is. Een collega hielp me uit de brand met de woorden die ik in de krant tegenkwam en niet begreep of bevestigde de vertaling naar het Hooghollands. Het gebruik van anglicismen is soms opvallend: drywer – chauffeur, municipaliteit – gemeente, Kersvader – Kerstman, maar wordt aan de andere kant koste wat het kost vermeden: VIRS – AIDS, skootrekenaar – laptop, afrigter – trainer, oopplankombuis – open keuken, verkleurmannetjie – kameleon, ADHD – AGHS aandaggebrek-hiperaktiwiteitsteurnis, kitskos - junkfood. Veel inventiever toch als lokhomo of swaffelen, woorden die in Nederland tot “woord van het jaar” werden gepromoveerd. Taalrijkdom of taalarmoede?

Op de valreep kopt de elektronische Volkskrant “Máxima: Buenos Aires onveilig”. “Zou je wel teruggaan?” vraagt een quasi bezorgde collega. Natuurlijk ga ik terug. Zo’n arrogante opmerking van iemand die de neus ophaalt voor haar afkomst lap ik aan mijn laars. Poepie, wie heeft je gescheten? Na bijna een jaar aan de voet van de berg, is het de hoogste tijd om terug naar huis te gaan.

slot