|
KAAPSE KRONIEK - 72 - EPILOOG (25102008) Zondag, 17 augustus 2008. Malaysia Airways rekt mijn verblijf in Zuid-Afrika met een paar uur. De vlucht van Kuala Lumpur via Johannesburg en Kaapstad naar Buenos Aires is om “technische redenen” uren te laat. Uit pure ballorigheid wordt er in de wachtkamer voor de ietsje meer betalende passagiers rond koffietijd al uitgebreid wijn en Kaapse Vonkel genipt. Vonkelwijn, champagne die geen champagne meer mocht heten en door de lokale industrie nu slim wordt geduid als de Méthode Cap Classique. Waarom zie ik nog wel overal ter wereld Gouda kaas? Een gepaster afscheid van de stad die aan alle kanten door licht alcoholische versnaperingen producerende wijngaarden wordt omgeven, is nauwelijks voorstelbaar. Een goede voorbereiding voor een rustige vlucht van een uur of acht over de zuidelijke Atlantische Oceaan. Lang genoeg om alvast wat te gaan mijmeren over mijn verblijf van bijna een jaar aan de voet van de Tafelberg. In Zuid-Afrika, zo vind ik, moet je boeken van Zuid-Afrikaanse auteurs lezen of boeken die over Zuid-Afrika gaan. Of, in geval van hoge nood, boeken van schrijvers uit andere Afrikaanse landen. Ik had de nodige boeken uit in mijn “Afrikaanse Bibliotheek” in de koffer gedaan. De boeken die ik niet bij me had, werden in emails aangeraden. Zo suggereerde Bart dat ik vooral “The Long Walk Home” - Nelson Mandela’s biografie - moest lezen. Dat nogal dikke boek was in de kast achtergebleven. Terwijl Jos informeerde of ik “Country of my Skull” van Antjie Krog kende. “De kleur van je hart” zoals het in het Nederlands heet, had ik wel bij mijn Haagse boekenwinkel besteld, maar de tijd had ontbroken om het af te halen. De film zag ik overigens tijdens mijn verblijf aan de voet van de berg. Tot mijn spijt had ik de honderd jaar geleden geschreven boeken van Louwrens Penning (1854 – 1927) over het hoofd gezien. Als slaafs aanhanger van de politicus Abraham Kuyper, de godvader van de Anti Revolutionaire Partij – verheerlijkte hij de strijd van de Afrikaners tijdens de Boerenoorlog in onder andere: “De held van Spionkop”, “De overwinnaar van Nooitgedacht” en “De leeuw van Modderspruit” zonder die oorlog ooit van nabij te hebben meegemaakt. De theoloog Kuyper betoogde “Negers kunnen het nooit verder brengen dan in opperste dienstbaarheid van de blanke, superieure Boeren”. Hij beriep zich daarbij op het Bijbelboek Genenis 9:25 waar Noach Kanaän, de aartsvader van alle zwarten, vervloekt tot “knecht der knechten”. De apartheid gerechtvaardigd en verklaard in een handomdraai. Mijn ervaring is dat veel boeken stukken leesbaarder zijn als de lezer bekend is met het land of de stad waarin het verhaal zich afspeelt. Ik merk onmiddelijk of de vertaler van een boek het land kent waaruit de auteur afkomstig is. Soms erger ik mij rot en schrijf met potlood – boeken moeten met zorg worden behandeld – mijn boze op- en aanmerkingen in de marge. Omdat ik achter in al mijn boeken noteer wanneer en waar ze werden gekocht, weet ik dat sommige “Zuid-Afrikaanse” boeken jaren in de kast hebben gestaan voordat ze mee op reis mochten. Daaronder zijn tweedehandsboeken die werden gepubliceerd lang voordat de apartheid uiteindelijk breed werd verworpen en onhoudbaar werd. Zoals “Een Hollandsche familie in zonnig Zuid-Afrika” van H.C. Bloem dat voor de oorlog werd geschreven, maar pas in 1949 werd uitgegeven. In de tijd dat duizenden Nederlanders in de arme naoorlogse jaren elders hun heil zochten. Pure propaganda waarin, na tegenwoordige maatstaven, buitengewoon denigrerende en politiek totaal incorrecte taal wordt gebezigd. Zoals over “zwarten die precies op apen lijken”. De familie woonde eerst een tijdje aan de voet van de Tafelberg, waar ze zoals ik vanaf mijn terras, de “bakkies” van de kabelbaan de hele dag op en neer zagen gaan. Iets minder beschamend is “Groeten uit Zuid-Afrika” van Go Verburg, dat verhaalt over een net gescheiden moeder, die op aanraden van eerder geëmigreerde familieleden met haar gezin naar Zuid-Afrika trekt. Dat is wat evenwichtiger. Niet alles gaat vanzelf en het goud ligt zelfs voor een blank gezin niet voor het oprapen. Jeetje, wat een schok! Maar toch, er zit een heel verkeerd luchtje aan door het “heldhaftige” maar uiterst racistische optreden van een potentiële verloofde die politieman is. C.J. Ooms – Vinckers is voor haar boek “Ik heb de slavenklok geluid” uit 1969 speciaal naar Zuid-Afrika afgereisd. Ze heeft daar, zo concludeer ik na het te hebben gelezen, vast en zeker alleen maar in “vertrouwde” blanke kringen verbleven. Ook hier treden weer onbetrouwbare zwarten en kleurlingen op én een bijna bekeerde Oost-Duitse spion die op het punt staat zijn leven te beteren door over te lopen. Niet vergeten dat dit de jaren waren dat de koude oorlog op zijn hoogtepunt was. Wat mevrouw Ooms en ik gemeen hebben, is de fascinatie met de slavenklok. Een symbool voor totaal abjecte tijden, die nu min of meer voorbij zijn, maar nog steeds niet helemaal. Na bijna een jaar over het platteland van de Westkaap te hebben gedwaald, is het duidelijk wie het goed hebben – de blanken – en wie het minder goed hebben – de gekleurde medemens. In suburbia zijn de zwarten en kleurlingen die je ziet vrijwel zeker huishoudelijk personeel, onderhoudsmannetjes, bouwvakkers, tuinlieden, bewakers en wat dies meer zij. In de townships zijn de blanken die je ziet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid toeristen. Met uitzondering van wat een excentriekeling moet zijn. Zoals bijvoorbeeld de beeldend kunstenaar Frik Myburgh die in Langa woont. Frik’s meest recente expo toont zijn gerecyclede papieren aardappelzakken, als dat niet genoeg bewijs is, dan weet ik het ook niet meer. slot volgt |