KAAPSE KRONIEK - 68 (04102008)

Zaterdag, 2 augustus 2008. Prince Albert is gewoonweg een doods Karoostadje. Er loopt niemand, maar dan ook helemaal niemand op straat. Het enige waarom ik spontaan moet lachen is de begraafplaats aan de buitenkant van deze welvarend ogende gemeenschap. “WELTEVREDE” staat op een bord met een kale begraafplaats vol met grafzerken als achtergrond. Weltevrede is de naam van een gehucht stukken verderop in de verlatenheid. Maar, wie weet, zijn zij die hier liggen begraven heel erg tevreden afscheid te hebben genomen van het aardse tranendal. Op naar de Swartbergpas. Na de afslag houdt het asfalt subiet op, een matig voorteken. Net zoals het bord “Geen Swaar Voertuie en Woonwaens”. Deze weg nemen – 67 kilometer – of dezelfde als de heenreis – 106 kilometer – is geen optie. Er is toch niets aan om twee keer op één dag dezelfde route te rijden. Na een paar honderd stoffige meters een verrassende aankondiging “SWARTBERG PASS – YOU ARE ENTERING A WORLD HERITAGE SITE”. Een bergpas door een ruig landschap werelderfgoed? Als een bord dat zegt, zal het wel zo zijn. Overtuigd ben ik allerminst.

Door een werelderfgoed rijden stelt echter wel speciale eisen aan zowel auto als chauffeur. De 27 kilometer lange weg over de Swartbergpas, die in 1888 in gebruik werd genomen, is niet geasfalteerd, smal, draait als een drol in een pispot, is haast overal te smal om een tegenligger te kunnen passeren, hetgeen niet zo erg als je aan de binnenkant van de weg rijdt met hier en daar flinke stenen die als vangrail dienen, overhangende rotspartijen en af en toe prachtige vergezichten. Langzaam aan, dan breekt het lijntje niet. Gelukkig zie je tegenliggers al van veraf aankomen en is er tijd genoeg om in een bocht, waar de weg ietsje breder lijkt, te wachten. Van de omgeving genieten is er nauwelijks bij, een enkel stuurfoutje en je raakt onbedoeld aan lager wal. Onderweg stop ik kort bij de Droëwaterval, de verkleuring op rotswand bewijst dat er inderdaad soms water naar beneden moet komen, maar droog is het er. Wel bloeien er bloemen die op geraniums lijken. De bladeren althans, de bloemen in de verste verte niet. De volgende korte stop is op de Teeberg. Het dak van de Swartberge nadert. Een absoluut desolaat landschap van kale grauwe bergtoppen. Wat had de pionierende mens hier in vredesnaam te zoeken? Maar ondertussen wel mooi tot Werelderfgoed verheven. In mijn onschuld denk ik op het hoogste punt te staan – het huiswerk weer eens slecht gemaakt – want 200 meter lager of zo ligt een vlakte. Ik voel zelfs enige opluchting omdat het einde van de pas in zicht lijkt te zijn, ik had de kilometers beter moeten tellen. Niet al te lang nadat de afdaling is ingezet, echter niet voordat ik vanaf de Teeberg had gezien dat er geen andere weggebruikers zijn, zal ik door de realiteit worden ingehaald. Op het vlakke gedeelte een kruising, een bord waarop in groter letters “GAMKASKLOOF” staat met eronder, stukken kleiner, “Die Hel – 50km = 2uur”. Kort overweeg ik even op en neer naar de hel te gaan, niet iets dat je iedere dag kunt doen. Vier uur is echter iets teveel van het goede. Gamkaskloof, zo ontdek ik later, ligt eerder drie dan twee uur van die kruising af en heeft zich nog niet zo lang geleden bij de bewoonde wereld aangesloten. Tot voor een jaar of 50 was het dorp aan het einde van de vallei uitsluitend te voet of per ezel te bereiken.

Het hoogste punt van de pas ligt op 1.583 meter en is dankzij het bord “Die Top” zelfs voor de grootste stomkop gemakkelijk te herkennen. Even genieten van het uitzicht op de vallei in de diepte en even diep adem halen alvorens aan de afdaling te beginnen. Scherpe bochten, slipgevaar, de “SKELMSDRAAI” waarvan het naambord vol kogelgaten zit. De skelms, de kwajongens, doen hun naam eer aan. Met een slakkengang rijdende voorgangers, die desondanks stofwolken opwerpen die dwingen afstand te houden. Ondanks de droogte slipt de weg inderdaad. Als ik een keer iets te abrupt rem, voel ik de kont van de auto naar rechts trekken, naar de kant van de afgrond. Ongeschonden bereik ik de vallei en de “echte” weg. De attracties die de massatoerist hier niet mag missen, de Kango Grotten en een struisvogelfarm – inclusief show – rijd ik met opgetrokken neus voorbij. Mij zul je daar niet betrappen. Het enige wat ik vandaag nog van een struisvogel wil zien, is de struisvogelbiefstuk die voor vanavond op het menu staat.

Zondag, 3 augustus 2008. Oudtshoorn ligt aan Route 62, de langste wijnroute ter wereld, de weg terug naar Kaapstad. Voor de laatste keer dwaal ik door Foster’s Manor. De eerste verdieping staat bol van gietijzeren ornamenten. De balustrades van de balkons en de steunen van dak en dakgoten zijn versierd met dit vakwerk dat onmiskenbaar uit fabrieken in de Midlands of Schotland komt. In vrijwel iedere voormalige Britse kolonie zie je dezelfde ornamenten. Langs de straat waar ik in Kaapstad woon, zijn de namen van de ijzergieterijen soms te lezen. Hoewel dat in Oudtshoorn niet is te ontdekken, weet ik zeker dat het werd ingevoerd uit het vroegere moederland. De entree is zwaar gelambrizeerd, mooie tegels op de vloer, een trappenhuis van teakhout, glas-in-loodramen. De salons zijn wat spaarzaam gemeubileerd en ogen niet echt gezellig. Veel te groot. De open haarden mogen helaas niet meer worden gestookt van de monumentenzorgers, maar hebben nog wel hun mooie bronzen kappen. De eetzaal is smaakvol ingericht. Aan de wanden kiekjes van de familie Foster die worden afgewisseld door antieke huishoudelijke apparaten, zoals de koffiemolen die sprekend lijkt op die vroeger bij mijn grootouders in de keuken hing. Heel erg ver van huis, voel ik me opeens heel erg thuis.

wordt vervolgd