KAAPSE KRONIEK - 66 (23092008)

Zaterdag, 2 augustus 2008. De dag begint zeer teleurstellend. “Arbeidsgenot”, het huis waarin de schrijver C.J. Langenhoven heeft gewoond en in de tuin waarvan hij is begraven, wil vandaag niet worden lastig gevallen. De receptioniste, die voor mij opbelt, krijgt te horen dat het museum op zaterdag alleen na afspraak kan worden bezocht. Alsof je naar de tandarts gaat. Geen afspraak, geen bezoek. Evenmin worden er andere bezoekers verwacht, dus me aansluiten gaat ook niet. In een desperate laatste poging pleit ze dat ik van ver overzee kom en maar voor één enkele dag in de stad zal zijn. Het mag niet baten, als goede Afrikaners zijn de museummensen niet te vermurwen. Ik heb stevig de pest in, hetgeen echter op slag voorbij is nadat ik in het C.P. Nel Museum ben beland. Het museum is gevestigd in de voormalige “Hoër Seunskool”, de middelbare school voor jongens. Een stoer gebouw van zandsteen dat overduidelijk uit de gloriejaren van de struisvogelverenhandel stamt. Een ontwerp van de architect Charles Bullock, dezelfde die voor Foster “Rus-in-Urbe” ontwierp, het huis waar ik heb overnacht. Vanwege de uitbundige levensstijl van de eigenaar werd het in de volksmond “Foster’s Folly” genoemd “Foster’s Dwaasheid”. Naast de museumkassa hangen een foto van het huis en een paar originele ontwerptekeningen. Daarop is te zien, dat ik inderdaad in een damesslaapkamer heb geslaen. Van mevrouw of de maîtresse? Het naast de kamer gelegen boudoir van toen, is tijdens een van de vele opknapbeurten tot een kamer gepromoveerd.

C.P. Nel verzamelde alles, maar dan ook alles, wat met de rijkdom had te maken die de struisvogelveren naar de Kleine Karoo, de streek rondom Oudtshoorn, hadden gebracht. Het resultaat van de verzamelwoede is opgesteld in de voormalige klaslokalen. Nadat de school op het nippertje door oud-leerlingen van de sloop was gered, werd het in 1972 ter beschikking gesteld als onderkomen voor Nel’s collectie. Wat mij betreft is het een eenvoudige, doch unieke thematische verzameling. Beslist de moeite waard. Na de gang met foto’s van “feather palaces”, de voor die tijd en voor die streek paleisachtige huizen waren, een grote zaal waarin de geschiedenis van de struisvogel en het gebruik van struisvogelveren door de eeuwen heen is te zien. Met onder andere rotstekeningen van de San, de oorspronkelijk bewoners van de Karoo. Natuurlijk is er veel aandacht voor de toepassing van de struisvogelsveer in de mode, het aspect dat Oudtshoorn het grote geld bracht, in de heraldiek – zoals in het wapen van Wales – en een paar opgezette vogels in hun wat povertjes nagebootste habitat.

Nadat in 1869 de broedmachine die geschikt was voor struisvogeleieren was uitgevonden, ging het razendsnel bergopwaarts voor de struisvogelboeren. Volgens zeggen, werden zo’n beetje alle gewassen die traditioneel in de streek werden verbouwd gerooid en op grote schaal vervangen door lucerne – veevoer – om over te kunnen schakelen op de struisvogelteelt. Een exemplaar van zo’n broedmachine is in het museum te zien. Niet erg imposant, het zou een antieke comode zonder enige opsmuk kunnen zijn, maar het was dus een machine waarmee fortuinen zouden worden verdiend. Duizenden trokken naar Oudtshoorn om hun aandeel in deze nieuwe weelde te claimen, het had veel weg van een “gold rush”. De economische voorspoed wordt verder weerspiegeld in de etalages van een nagebouwd winkelstraatje. Elegante kleding en lingerie, uit Engeland geÏmporteerd serviesgoed en bestek, een moderne apotheek, een bank, uithangborden van kleermakers, ergo geld genoeg voor maatkleding. Elders in het museum zijn stijlkamers ingericht: een zitkamer, een eetkamer, een slaapkamers. Het succesvolle zaken doen en het goede leven straalt er vanaf. Een typische winkel van sinkel waar inderdaad “hoeden en petten en damescorsetten” werden verkocht. Kleine blote toonbankpoppen gestoken in een mini-corset, oranje geverfde klompen op rolschaatsen, maar ook potten en pannen, naaimachines en huishoudelijke apparaten uit het pre-elektrische tijdperk.

Oudtshoorn had opeens één van de grootste Joodse gemeenschappen in Zuid-Afrika, waaronder veel immigranten uit de Baltische staten. Joodse handelaren beheersten de verenhandel voor bijna 100%, Oudtshoorn kreeg de bijnaam “Klein Jeruzalem”. Liberale en traditionele Joden konden hun geloof echter niet onder het dak van een en dezelfde synagoge belijden, dus werd er een tweede gebouwd waarvan het interieur een getrouwe kopie zou zijn van een Letse synagoge. Die synagoge was net tachtig jaar oud toen in 1973 tot afbraak werd besloten. Het interieur werd naar het C.P. Nelmuseum overgebracht alwaar ik het bewonder. Veel wit, een Ark die wordt bekroond door twee koepels met de vorm van een ui, zoals een Russisch orthodoxe kerk die heeft. Aankondigen in het Hebreeuws. De vrouw van een collega, wiens vader in zijn jeugd in Oudtshoorn heeft gewoond, vertaalt de tekst van het bord. Het blijkt een kalender te zijn waarop de gebedstijden op weekdagen, de sabbat en feestdagen staan. Een gesponsord bord bovendien “Deze kalender is een gift van de heer Abraham Yitshak, zoon van Moshe Gilles, ter nagedachtenis aan hem en zijn nakomelingen”. De door Opa beloofde oude foto’s van Oudtshoorn worden niet gevonden, wel een brief van het Rode Kruis waarin wordt bericht over de naspeuringen die naar een Duitse tante zijn gedaan. “We hebben de volgende informatie ontvangen: 8.6.43 uit Westerbork afgevoerd, waarschijnlijk naar Auschwitz. Het spijt ons zeer u dit onaangename bericht te moeten sturen, wij hopen echter zeer binnenkort beter nieuws te zullen hebben”. IJdele hoop, meer was het niet.

wordt vervolgd