|
KAAPSE KRONIEK - 64 (15092008) Vrijdag, 1 augustus 2008. Outenikwa heet het imaginaire stadje dat in het boek “Zandkastelen” van de Zuid-Afrikaanse auteur André Brink wordt opgevoerd. Het verhaal speelt zich af tegen de achtergrond van de eerste democratische verkiezingen die na het einde van de apartheid werden gehouden, de spanning die de op handen zijnde politieke veranderingen met zich meebrengt en in en om wat er na een “terroristische aanslag” nog over is van een “zandkasteel”. Een paleisachtig huis van zandsteen, dat zo’n honderd jaar eerder werd gebouwd met het fortuin dat was vergaard met de handel in struisvogelveren. Een op sterven liggende grootmoeder, die bijna 100 jaar oud is, vertelt de naar haar vernoemde kleindochter de familiegeschiedenis via de vrouwelijke lijn. En dan zijn er de feodale verhoudingen tussen de eigenaren van de enorme boerenbedrijven en hun ondergeschikten, de kinderen die werden verwerkt bij de mooie dochters van het zwarte personeel en hún nakomelingen. De “skaamfamilie” die wel op de plaas – de boerderij – mocht blijven wonen, doch in de arbeidershuisjes op het achtererf. In de verklarende woordenlijst achterin het boek – nooit overslaan, altijd lezen! – geeft de schrijver de hint dat Outenikwa het stadje Oudtshoorn zou kunnen zijn, maar het niet is. In de trant van “alle gelijkenis met Oudtshooorn berust op louter toeval”. Natuurlijk gaat het wel over Oudtshoorn. Ten zuiden van het stadje liggen de Outeniqua bergen, het was het centrum van de struisvogelmanie die in de laatste decennia van de de 19e eeuw en in de jaren voor de Eerste Wereldoorlog sommige mensen schatrijk maakte en vele anderen heel erg welvarend. In het boek verblijft een onderduiker op het zandkasteel, hij verschuilt zich voor blanke militanten die jacht op hem maken in verband met de aanslag op dezelfde boerderij. Hij wil niets liever dan de boeken van C.J. Langenhoven lezen, één van de aartsvaders van de Afrikaanse taal en tekstdichter van het “blanke” volkslied “Die Stem” die tijdens zijn leven in Oudtshoorn woonde. En nergens anders dan in en rond Oudtshoorn staan er dus “Feather Palaces” de destijds exhorbitante huizen die met de opbrengst van de verenhandel werden gebouwd. Na het lezen van “Zandkastelen” kijk ik op de kaart waar Oudthoorn ligt en neem mij voor om er koste wat het kost naar toe te gaan. Na op het internet “Foster’s Manor” te hebben ontdekt, een verenpaleis waarin nu een guesthouse is gevestigd, weet ik bovendien heel erg zeker dat ik daar en nergens anders wil overnachten. Gemakkelijker gezegd, dan gedaan. Oudtshoorn ligt op ruim 500 kilometer van Kaapstad. Te ver voor een weekeinde, net ver genoeg voor een lang weekeinde. Het Paasweekeinde, eind maart, kan ik wel schudden. Dan wordt het stadje overspoeld door bezoekers van het KKNK – Klein Karoo Nasionale Kunstefees – een jaarlijks festival waarin de Afrikaanse taal en cultuur de boventoon voeren. Midden juni grijp ik weer mis. De aardige recepcioniste legt me uit dat Foster’s Manor deze keer is volgeboekt vanwege een hondenshow! “We zijn één van de weinige hotels in de buurt waar honden welkom zijn”. Vandaar. “Drie keer is scheepsrecht” blijkt echter ook in Zuid-Afrika op te gaan. Deze keer kan ik zelfs kiezen in welke kamer ik wil slapen. In een onverschillige bui is de keuze tussen een “standard” en een “superior” kamer snel gemaakt. Voor een handvol Euros meer wordt het een “superior”. De allerduurste, de bruidssuite, lijkt me bij gebrek aan een bruid wat overdreven. Op vrijdagochtend na het spitsuur onderweg. Dreigende wolken, maar geen regen. De N2 volgen tot aan Mosselbaai, bijna 400 kilometer verderop. Kaapstad, langs het vliegveld, Somerset West, Sir Lowry’s Pass, Caledon, Jongensklip, Riviersonderend – opeens vraag ik me af of het wellicht “een rivier sonder end” zou kunnen zijn – een boederij die heel poëtisch “Ongegund” heet, Tygerhoek, de Maandagsoutrivier. Calvinistische plaatsaanduidingen aan de andere kant van de wereld. Opzichtig stoere kerken in de dorpen langs de weg. Gele akkers, ontelbare gele akkers. Koolzaad? Grote vogels waarvan ik de naam niet ken in de weiden. Plots overal aloë’s, waarvan ik de Afrikaanse naam “aalwyn” stukken mooier vind. Een tussenstop in Swellendam “Gestig 1745”. Een collega had me aangeraden om er de “prachtige rietdakkerk” te bezoeken. De plafondschildering zou uniek zijn. Tsja, wat denk je dan als je voor een kerkgebouw zonder rietdak staat, dat bovendien stevig op slot zit omdat het lunchtijd is. De rietdakkerk werd namelijk 100 jaar geleden al gesloopt om plaats te maken voor dit gebouw in vele stijlen. Een beetje Kaap-Hollands, een beetje Hollands torentje, een beetje van alles wat. Voor hetzelfde geld zou het een stadhuis ergens in Zeeland kunnen zijn, behalve dan dat ze daar niet zo van witgekalkte buitenmuren houden. Wel veel huizen – hoewel geen Godshuizen - met rieten daken langs de weg, die zouden trouwens zo uit Holland of Zeeland kunnen zijn overgeplant. Tegenover de kerk staat een buitengewoon lullig monumentje ter herdenking aan de kroning van George V. Meer mag je niet echt verwachten in een Britse kolonie zo kort na de Boerenoorlog. Een ander monument herdenkt écht iets, althans voor de Afrikaners in het dorp. De Grote Trek, de gelofte die Piet Retief aflegde in december 1838 de dag voordat de Slag bij de Bloedrivier plaatsvond. Aan de voorkant een plaquette met een ossewa. Aan de zijkant ligt in een mini-vitrine, als een relikwie in een paapse kerk, een klip – een steen - van onder het Voortrekkermonument dat bij Pretoria staat. Om de schijn te vermijden een fanatieke Afrikaner bedevaartganger te zijn, maak ik een paar foto’s en stap daarna snel weer in mijn fout geparkeerde auto. Dus toch een beetje fout. wordt vervolgd |