|
KAAPSE KRONIEK - 61 (29082008) Maandag, 7 juli 2008. “Doodgaan Verboden” is mijn vrije vertaling van “Mortu Nega”. Een film uit 1988 over de schier eindeloze guerrillaoorlog (1964 – 1974) in het West-Afrikaanse mini-staatje Guinea-Bissau. Die zou uiteindelijk een einde maken aan meer dan 500 jaar Portugees koloniaal bewind. Wat die ongenode gasten daar toen nog te zoeken hadden, heb ik nooit helemaal begrepen. Als ik me niet vergis, beschrijft Graham Greene in een van zijn boeken de hoofdstad Bissau als zijnde verpauperd en zwaar corrupt. In ieder geval niet als een plaats waar een toerist op stel en sprong naar zou willen afreizen. Na de vrijheidsoorlog is het nooit meer rustig geworden in het land met een bevolking van niet meer dan anderhalfmiljoen zielen. “Mortu Nega” is een eenvoudig verhaal, dat eenvoudig werd verfilmd en zelfs aan kijkers die bekend zijn met de geschiedenis verdomd weinig heeft te bieden. Bovendien wordt bijna de hele film “Portugais du village” oftewel brabbelportugees gesproken. Af en toe verstaanbaar, doch over het algemeen niet. Tegen het eind van de oorlog vernemen de guerrillastrijders via een krakende transistorradio dat hun revolutionaire voorman Amilcar Cabral is overleden. Dat was in 1973 toen hij, als leider van de regering in ballingschap, in Conakry – de hoofdstad van het voormalige Frans-Guinea - werd vermoord. Een legendarische naam, de man die het PAIGC, het bevrijdingsfront van Guinea en de Kaapverdische Eilanden oprichtte en leidde. Nadat de strijd is gestreden en de onafhankelijkheid door Portugal is erkend, uiteraard pas na de Anjerrevolutie van april 1974, begint een nieuwe strijd. De strijd tegen de droogte. Die wordt onder meer bestreden met een mooi in beeld gebrachte eeuwenoude ceremonie om regen af te smeken van de goden van de voorouders. Gemaskerde mannen, dansende vrouwen en meisjes, prachtige muziek. Het doet me denken aan de Nigeriaanse “rain doctors”. Na betaling van een redelijke vergoeding lukte het hen soms wel, maar meestal niet om het te laten regenen. Het allermooiste van de film vind ik echter de geluidsband. Melodieus getokkel op de kora, het klassieke West-Afrikaanse snaarinstrument dat wel iets van een harp wegheeft. Een instrument waar ik aan de oever van de rivier de Niger, in Bamako, de hoofdstad van Mali, zo’n beetje verliefd op ben geworden. Lang geleden tokkelde daar een anonieme koraspeler tegen middernacht in de tuin van hotel l’Amitié - er was een feest aan de gang - “Strangers in the night” op de kora. Dat was wel het allerlaatste wat ik toen verwachtte. Een vervreemdende ervaring om nooit te vergeten. Dinsdag, 8 juli 2008. “Tilai” speelt zich vast en zeker af in Mali of Burkina Faso. Dat platteland is uit duizenden te herkennen aan de zo karakteristiekje vierkante graanschuurtjes die ik in Mali tussen Mopti en de Faliase de Bandiagara zag en in het land van de Dogon. Trouw, ontrouw, eerwraak. Vreemde uithuwelijksgewoontes. Een vader die trouwt met meisje dat voor zijn zoon was bestemd. De jonge echtegenote die vervolgens wegloopt en met de zoon voor wie ze was voorbestemd het bed deelt. Oei! Incest! Technisch gezien slaapt de moeder met haar zoon. Dat eist eerwraak. Niet de overspelige vrouw, maar de zoon moet worden gedood. In Afrika slaap je nu eenmaal niet straffeloos met de jeugdige echtgenote van je vader. Zijn broer wordt er op uit gestuurd om hem te doden, om aldoende de eer van de familie te redden. Een film van niets, toch kijk ik tot aan de aftiteling. Woensdag, 9 juli 2008. De goede films van Afrikaanse makelij zijn even uitgeput. “L’Homme sur les quais” speelt in Haïti. Hoewel dat land het eiland Hispañola in de Caribische Zee deelt met de Dominicaanse Republiek, zou het best een Afrikaans land kunnen zijn. Dictatuur, onderdrukking van de bevolking door de Tonton Macoutes, de destijds altijd spiegelende zonnebrillen dragende geheime politiemannen van Papa Doc Duvalier en daarna van zijn zoon Baby Doc. De uit de Republiek Benin afkomstige Voodoo godsdienst heeft er veel aanhang, er heerst grote armoede en de bevolking bestaat vrijwel geheel uit nakomelingen van negerslaven. Ooit de rijkste Franse kolonie – het produceerde gigantische hoevellheden koffie en suiker - waarmee het sinds de onafhankelijkheid in 1804, behoorlijk bergafwaarts is gegaan. Ik moet vaak aan Haïti denken als de Zuid-Afrikaanse televisie beelden over de toestand in het buurland Zimbabwe uitzendt. Ook dat was een rijk land tijdens de Britse koloniale tijd dat veel meer voedsel produceerde dan het voor de eigen bevolking nodig had. Nu lijdt de bevolking honger omdat Zimbawe sinds de onafhankelijkheid in 1980 in de hoogste versnelling door Robert Mugabe en zijn volgevreten disgenoten naar de kloten is geholpen. Vrijdag, 11 juli 2008. Als de zon er op valt, is vanaf mijn werkplek te zien dat op de bergtoppen in de verte sneeuw is gevallen. ’t Is een spectaculair gezicht. Iedereen moet even het terras op om dat goed te kunnen zien. Welke bergen zouden het zijn? “Ceres” oppert iemand. Maar volgens mij is dat vanuit Kaapstad onmogelijk te zien. Anderen vallen me bij. Het is veel dichterbij. Waarschijnlijk zijn het de Hottentothollandbergen bij Stellenbosch of de Drakensteinbergen die je via de DuToitkloofpas kunt oversteken. Ik ben dit weekeinde uitgenodigd voor de “braai” bij vrienden in Rawsonville en kom er dan vanzelf achter. Televisie en kranten besteden ondertussen veel aandacht aan de sneeuw. Duizenden mensen trekken de stad uit om te gaan sleeën, sneeuwballen te gooien of een sneeuwman te maken. Eindelijk begrijp ik waarom er in “Evita’s Perron” in Darling in deze tijd van het jaar een kerstboom staat en Evita Bezuidenhout tijdens de weekeinden een speciaal kerstprogramma presenteert. Sneeuw in Afrika, het bestaat echt! wordt vervolgd |