|
KAAPSE KRONIEK - 58 (13082008) Zondag, 29 juni 2008. Voor de zoveelste keer in mijn jonge leven word ik ongevraagd met Dr. Albert Schweitzer geconfronteerd. Vroeg op zondagmorgen nog wel. De straten in de buurt van mijn appartement in het centrum van Kaapstad zijn afgezet in verband met de opnamen van een film over zijn leven. Zo te zien worden die gemaakt in de Unitarian Church in de Houtraat. Zou Jeroen Krabbé, die de hoofdrol speelt, daar nu op de kansel staan en de leprozen toespreken? Aan de andere kant van het land, in Port St. Johns in KwaZulu-Natal, is Schweitzer’s hospitaal in Lambarene nagebouwd. Volgens één van de filmmakers zou het er daar net zo uitzien als waar dat in Gabon staat. “Wat een lulverhaal” rispt er spontaan op. Ongerept tropisch regenwoud in KwaZulu-Natal? Sinds wanneer dan wel? In tegenstelling tot de gemiddelde bioscoopbezoeker ben ik een paar keer van Libreville, de aan de kust gelegen Gabonese hoofdstad, naar Lambarene gereden en heb daar het hospitaal van Schweitzer’s leprozenkolonie meer dan eens bezocht. Wel een toepasselijk begin van de dag overigens, want ik ga vandaag naar het Moravische zendingsdorp Goedverwacht. Ik heb de N7, de weg naar het stadje Piketberg, ondertussen zo vaak gereden dat ik het met de ogen dicht zou kunnen doen. Veel te beleven is er so wie so niet op deze frisse winterdag. Behalve dan dat het me opvalt dat er vlakbij de raffinaderij, en niet al te ver van de atoomcentrale van Koeberg, mensen met boomstammen lopen te sjouwen en met bossen takken voor het kookvuur op het hoofd onderweg terug naar huis zijn. Diezelfde tegenstelling waar ik me in Nigeria over bleef verbazen. Mensen met hout op het hoofd die werden gefotografeerd tegen een achtergrond van de vlammen van het afgefakkelde gas dat bij de productie van ruwe olie vrijkwam en waarvoor geen andere bestemming was. Wat mij anderzijds bezighoudt is de benzineprijs. Uit gewoonte kocht ik ieder weekeinde voor 200 Rand benzine, doch kwam daar steeds minder ver mee. Het werd 250 Rand, 300 Rand en inmiddels staat de teller op 350 Rand. Zoals overal elders wordt de bezine snel duurder. Hoewel iets meer dan 1 Euro voor een liter nog behoorlijk goedkoop is. In Zuid-Afrika wordt de bezineprijs dan ook door de overheid vastgesteld en niet door de wet van vraag en aanbod. De afslag naar Goedverwacht ligt even voorbij de wijngaard met de fraaie naam “De Eerste Stuiwer”. Een paar kilometer verderop kondigen waarschuwingsborden de dorpsgrens aan: “Goedverwacht, Morawiese Sendingstasie. Private Eiendom. Oorteders sal vervolg word. Besoekers meld u aan by Kerkkantoor”. En “WAARSKUWING. Die Pluk en Verwydering van Flora en Fauna is Streng Verbode”. Door eerdere ervaringen wijzer geworden, weet ik inmiddels dat de soep bij lange na niet zo heet wordt gegeten, als ze door de Moraviërs wordt opgediend. Niemand stopt me als ik het langgerekte dorp doorrijd en de auto bij de kerk en de lelijk gerestaureerde watermolen parkeer. Langs die weg dezelfde met riet gedekte huisjes die ik eerder in Elim en Wittewater zag. De enige variatie is dat die hier nu eens niet zonder uitzondering wit zijn gepleisterd, sommige zijn met het rode gesteente uit de omgeving opgetrokken. De kerk voor de afwisseling trouwens ook. En de pastorie en de school. De pastorie lijkt qua bouw trouwens heel erg op de gebouwen die ik lang geleden in Misahohe zag. Een voormalige Duitse missiepost in Togo, even buiten het dorp Kpalimé op de grens met Ghana. Nu weet ik zeker dat de zendelingen met bouwtekeningen in de koffer op karwei gingen. Lang onopgemerkt blijft de bezoeker zelden in dit soort kleine gemeenschappen. Een auto stopt, een vrouw spreekt mij aan. Bezorgheid veinzend vraag ik of ik in overtreding ben. Daar kan ze wel om lachen. Ze heet Lorraine Cornelius en steekt al pratend een sigaret op. “Ben je geen lid van van de Moravische Kerk?” informeer ik. De kerk waar het gebruik van alcohol en roken zijn verboden. “Iedereen hier is lid van de kerk en soms zondigen we een beetje!” gniffelt ze. We staan voor de pastorie, ze stelt me voor aan de leraar, de dominee. Die staat verdorie op zondag zijn auto te wassen! Voorwaar een liberale gemeenschap hier in Goedverwacht! Lorraine vertelt over haar welvarend ogende dorp. “We zijn niet arm, we werken hard, er zijn twee zandmijnen en er groeit veel riet en de kerk is gul met het aan haar lidmaten toestaan om die materialen te gebruiken. “Onze bouwkosten zijn daardoor laag”. Aan de zijkant van de pastorie is het postkantoor, een winkel en het bijkantoor van de Burgerlijke Stand. “KANTOOR voor REGISTRATIE van GEBOORTEN en STERFGEVALLEN” staat er op het bord. Huwelijken en scheidingen worden waarschijnlijk anders geregistreerd. Al rondkijkend begint de geschiedenisles met de verkoop in 1810 van de boerderij “De Goede Verwachting” aan Hendrik Schalk Burger, die zijn aanwinst promp herdoopte in “Burgerskloof”. Na de afschaffing van de slavernij, in 1834, vermaakte Schalk Burger zijn bezit aan Maniesa, zijn uit het Verre Oosten afkomstige hoofdslavin, en haar kinderen op voorwaarde dat zij hem tot aan zijn dood zouden verzorgen. Het vermoeden bestaat dat een paar van die kinderen wellicht door die schalk waren verwekt. Hoewel zijn “echte” kinderen het testament aanvochten, bevestigde de rechter de geldigheid ervan. Het testament bepaalde verder dat de boerderij niet mocht worden verkocht totdat de laatste van de erfgenamen was overleden en dat de opbrengst zou moeten worden verdeeld onder de kleinkinderen van Maniesa. Aldus geschiedde in 1889 met de verkoop van Burgerskloof aan de Moravische Zending voor het bedrag van £750. wordt vervolgd |