|
KAAPSE KRONIEK - 41 (07052008) Zondag, 6 april 2008. Saron ligt aan de voet van de Saronberg. Om het van de op enige afstand gelegen doorgaande weg vooral niet te missen, is de naam van het dorp in grote letters op de bergwand gekalkt, hoewel dat vandaag door de regen en de laaghangende bewolking niet is te zien. Net als veel andere zendingsposten in de omgeving van Kaapstad is de naam in de Bijbel terug te vinden. Dankzij het exemplaar dat ik bij het verlaten van de lagere school kreeg uitgereikt, kan ik het in Jesaja 65 vers 10 nalezen: “En Saron zal tot een schaapskooi worden”. Omdat het met mijn Bijbelkennis sindsdien snel bergafwaarts is gegaan, toch maar even op het internet een nadere uitleg gezocht: “Dat is, hunne kudden zullen in vruchtbare plaatsen weiden; met welke woorden te kennen wordt gegeven de overvloed der zegeningen, die de kerk en een ieder lidmaat derzelve van God ontvangen zou. Want Saron was een vruchtbare en lustige vallei.” De vallei is inderdaad vruchtbaar, het dorp zelf is pure triestigheid. De uit de 19e eeuw daterende kerk ligt aan de Pastoriestraat, het toegangshek zit stevig op slot. Na wat omrijden kom ik bij de achteringang terecht, waarvan het hek wel open staat. Het gebouw, dat er uitziet als een onneembare vesting, zit echter stevig op slot. Ondanks het stukje huisvlijt met het woord “WELKOM” boven het tuinhek, voorkomt een hangslot dat men zelfs daar verder kan gaan, zodat ik niet eens even om de kerk heen kan lopen en naar binnen gluren. Zodoende blijft de “skaambank” helaas aan mijn ogen onttrokken. Veel verder rijden kan ook al niet. Terwijl het Bijbelse Saron aan de “grote weg” van Syrië naar Egypte lag, loopt de weg hier wat verderop dood op de berghelling. Er zit niets anders op dan terug te gaan zoals ik ben gekomen om naar Wellington – uiteraard vernoemd naar de IJzeren Hertog die Napoleon bij Waterloo versloeg - te gaan. Daar zou een “Blockhouse” staan, één van de meest zuidelijk gelegen verdedigingswerken uit de Tweede Boerenoorlog (1899 – 1902). Hoewel het ding in het volle zicht staat, zou ik er straal voorbij zijn gereden als er geen richtingaanwijzer langs de kant van de weg had gestaan. Want, zo moet ik bekennen, ik had mijn huiswerk niet goed gemaakt en geen idee hoe zo’n blockhouse er uit zou zien. Nou stoer dus en veel groter dan ik had gedacht. De Royal Engineers, die tijdens die oorlog ongeveer 8.000 blockhouses uit de grond zouden hebben gestampt, omschrijven een blockhouse als “een klein tijdelijk fort”. Wat ik zie is een stevig uit de kluiten gewassen bunker, hoewel er geen gewapend beton als bouwmateriaal werd gebruikt, opgetrokken met grote stenen uit de omgeving. De pantserplaten voor de schietgaten en de observatiepost werden ingevoerd uit Engeland. Drie verdiepingen heeft het in goede staat verkerende blockhouse. De begane grond werd gebruikt als opslagplaats, de eerste verdieping als woon-en slaapruimte en op de bovenste verdieping was de observatiepost. De fortificatie ziet eruit alsof het gisteren nog in gebruik was, hoewel de directe omgeving het tegendeel bewijst. Het pad er naar toe is een modderpoel, het toegangshek is opengebroken, de afrastering heeft zijn beste tijd gehad, de gedenkplaat is van de sokkel gesloopt. Er liggen lege flessen en menselijkse uitwerpselen. Schijt aan de Boeren (of aan de Britten). Nu ik hier sta realiseer ik me dat ik onderweg ook al zo’n eenzame, maar totaal vervallen, blockhouse langs de spoorlijn heb zien staan. Want daar dienden de forten voor, voor het beschermen tegen Boerenaanvallen van strategische doelen. Bruggen en het spoor. Van Wellington naar Paarl. Het landschap verandert, lagen er tussen Saron en Wellington vrijwel uitsluitend grote akkers en weiden, hier is het wijnbouw wat de klok slaat. De wijnstokken staan er wat zielig bij, de druivenpluk is achter de rug, de blaadjes verdorren. Zoals het hoort in de herfst. Van Paarl via Klapmuts naar de voet van de Helshoogtepas over de Banghoekbergen passeer ik de ene wijngaard na het andere. Eigenlijk best eentonig. Daar ligt het dorpje Pniël, een andere voormalige zendingspost met een streng regime. En een ander dorp dat werd vernoemd naar een plaats in het Heilige Land. Het is te vinden in het Oude Testament in het boek Genesis 32 vers 30: “En Jakob noemde den naam dier plaats Pniël: Want, zeide hij, ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest.” De zendeling van dienst ter plaatse, de Eerwaarde Johan Frederik Stegmann, wist eveneens precies hoe zieltjes gered konden worden. Hij hield de lidmaten van de door hem opgerichte zendingspost scherp in de gaten. Geen swartbank of skaambank in Pniël, maar een karwats was het geliefde hulpmiddel om de gelovigen op het rechte pad te houden. Hel en verdoeminis van de kansel preken was kennelijk niet voldoende. Volgens zeggen kondigde hij zelfs een avondklok af en mocht zonder zijn toestemming geen lidmaat zich na die tijd op straat begeven! Zoiets hou je toch niet voor mogelijk? Hij ging zelfs zover om tijdens die spertijd - met zweep in de aanslag - de straten te patrouilleren om ongehoorzamen met harde hand terug naar huis te begeleiden. Desalniettemin staat er bij de kerk een gedenksteen ter ere van hem: “Opgerig op 17 April 1938 in Dankbare Herinnering aan Eerw. J.F. STEGMANN, Stigter van hierdie gemeente in die jaar 1843”. Aan de overkant van de weg staan twee slordig op elkaar gestapelde grote keien. Er hangt een lange ketting aan met een handboei aan het uiteinde, ervoor ligt een soort kleine grafsteen met inscriptie. Onthuld in 2002 door ex-President Kenneth Kaunda van Zambia. Het is zowaar een monument! Het allerlaatste voor vandaag. Zonder aanmoediging van een karwats, ga ik via het kromme pad van de Helshoogte keurig op tijd naar huis. wordt vervolgd |