|
KAAPSE KRONIEK - 35 (10042008) Zaterdag, 15 maart 2008. Gestapelde afgedankte fornuizen, een verroeste draagbare oven - zo te zien een voorloper van de microwave - waarop sporttrofeeën staan te sudderen. Erachter hangen de zijkanten en poten van een tafel, erboven bungelt de glazen schaal van een afgedankte lamp. Een dienblad met zinken gieters, overal rotzooi, maar ’t is wel mooie rotzooi. In de tuin staan tafels met aardewerk en kandelaars van verroest ijzerdraad. De bijbehorende bank is overduidelijk gemaakt van een afgedankte strijkplank. De grote ronde deksels van voorraadblikken die zijn voorzien van een zwierig geschreven tekst. Een oude weegschaal waar de wijzer in plaats van het gewicht “YES – NO – VERY - MAY BE” aanwijst. Ergens bovenin een boom is het zwembad, dat niet meer dan een veredelde badkuip is. Wat mij betreft althans. Daar heb je uitzicht op de bergen in de verte en de wijngaard van de buren, het Vlock Casteel. En dan onthult David, de ontwerper en eigenaar van het Cape Francolin Art Hotel, waarom de buren zo negatief zijn over zijn troetelkind. Ze liggen in de clinch. Hij vertelt dat de wijngaarden in de buurt zwaar worden besproeid met insecticiden die, uiteraard, over en door de erfafscheiding van prikkeldraad heen waaien en de buren en passant een ongewenste dosis vergif toedienen. Vriendelijke verzoeken om wat kalmer aan te doen, mochten niet baten en nu ontmoeten de buren elkaar uitsluitend bij de rechtbank. Dat het gebruik van bestrijdingsmiddelen, die in het Afrikaans heel mooi “plaagdoders” heten, een thema is, was mij al eerder duidelijk geworden uit een krantenbericht. Daarin werd beweerd dat de hoeveelheid pesticideresidu in Zuid-Afrikaanse wijnen best meeviel en acceptabel was, dat wil zeggen binnen de algemeen aanvaarde waarden bleef. Als regelmatig consument van lokale wijn had het mij niet veel stof tot nadenken gegeven tot vandaag in het Swartland. Desalniettemin ga ik grif in op het aanbod om een fles wit te ontkurken, hoewel het “wat niet weet, wat niet deert” niet meer opgaat. We maken met Clive een vroege avondwandeling langs de wijngaarden die aan de overkant tegen de Kasteelberg opklimmen. Strak georganiseerde rijen wijnstokken, die er op enige afstand net zo uitzien als de gevlochten haren op de hoofden van zwarte Afrikaanse vrouwen. Daarna gaat David uit en zet ik me aan de schrijftafel. Het meubilair van mijn kamer is tweedehands of veel meer de hands, de lampen op de nachtkastjes zijn gemaakt van melkglazen potten, de geborduurde naam van het beddengoed bewijst dat het werd gekocht uit het faillissement van een ander hotel. De kunst aan de muur is gemaakt door Louise Kaye. Aquarellen van de geel witte, op waterlelies lijkende, “Nymphoides Indica”, een echte Kaapse bloem. Van de negen in Afrika voorkomende species, zijn er maar liefst vijf in Zuid-Afrika te vinden. Ondanks die rustgevende kunst, slaap ik erg onrustig. Niet omdat het morgen mijn verjaardag is, maar door de mieren die door het bed wandelen en mij bijten. En de enorme windwijzer, in de vorm van een vis, op het dak boven mijn hoofd de hele nacht piepend op de wind heen en weer zwemt. Al doende het geluid makend van het slecht geoliede scharnier van een oude deur. Zondag, 16 maart 2008. Het verhaal doet de ronde, dat het uur waarop een mens wordt geboren, bepalend is voor de energieniveaus voor de rest van zijn of haar leven. Hoewel ik dit altijd met een korreltje zout heb genomen, lijkt mijn goed functionerende “lichaamsklok” het gelijk van die stelling min of meer te bewijzen. Omdat ik voor dag en dauw ben geboren, heb ik geen wekker nodig en barst ’s ochtends van de energie. Of ik het wil of niet, ik ben altijd vroeg – dus op tijd – wakker. Ik kan me niet herinneren te laat op mijn werk te zijn verschenen omdat ik me had verslapen. Zelfs op deze zondag - mijn verjaardag, geen tijdsdruk, geen verplichtingen - ben ik voor dag en dauw wakker. Een verfrissende douche, gevolgd door een ochtendwandeling. Vanuit de verte is het lager gelegen dorpscentrum te zien, net of het in een kuil ligt. Een witgekalkte kerk met puntige toren die uitsteekt boven de omringende lage huizen. Geen hoogbouw in dit deel van de wereld. Aan de buitenkant een oude kerk met de klokkentoren ernaast. Een wat plomp gebouw met twee monumentjes in de voortuin die hier naar toe werden verhuisd toen de toegangsweg naar de vallei werd verlegd. “Ter herdenking aan die epiese tog van Simon van der Stel naar die Koperberge van Namakwaland die optog gaan hierdie nek oor en oornag in die kloof hieronder op donderdag 30 augustus 1685” staat op het ene. Op het andere is simpelweg “TAAL” over een toorts gebeiteld. Geen idee wat het voorstelt. Later op de ochtend ontdek ik dat het kerkgebouw is omgetoverd tot een museum. De kerkbanken en de kansel hebben plaats moeten maken voor een zooitje afgedankte koetsjes. Even, heel even maar, denk ik God te horen brommen. Terwijl David het ontbijt klaar maakt, inderdaad walnoot en olijfbrood, zelfgemaakte confiture en eieren die zijn aangeleverd door de bevriende fotograaf Tracy Derrick, bewonder ik de salon. Gereanimeerde meubels, een paar stoelen die zijn bekleed met afgedankte jute koffiezakken uit Mexio en Guatemala. Een grote eettafel, bankjes en fauteuils die ondanks dat ze zijn doorgezakt, toch comfortabel zijn. Aan het plafond en de muren fantasierijke lampen waarvan één duidelijk is geïnspireerd door de bloemen in de voortuin. Nog meer kandelaars van afgedankte metalen. Schilderijen ook. Een paar abstacte werkjes van Louise Bourgeois en David zelf, zwart-wit foto’s van Tracy Derrick. Het ontbijt is klaar. Omdat ik jarig ben, wordt de thee geserveerd in de speciale “cup of happiness”. Een kopje van wit porselein met gouden decoratie. Ik voel me opeens heel erg jarig. Alvorens terug op huis aan te gaan, ontdekt ik dat de “Cape Francolin” een vogel is. Niets geen mystiek, niets bijzonders, het is een kleine fazant die overal aan de Kaap voorkomt. Aldus vierde ik mijn verjaardag in de schaduw van de Tafelberg. wordt vervolgd |