OP ZOEK NAAR CHE! (14122007) - gastbijdrage van Paul Boute Mei - 1968. “Revolutionary People are not normal people”. Tweede helft van de jaren zestig. De jaren van de studentenrevoltes, de Praagse lente, de Vietnamoorlog. De massamoord in My-Lai. De doorzettende ontkerstening. Het verzet tegen de onderdrukkers in de Derde Wereld, vooral in Latijns-Amerika. De jaren van bijeenkomsten in zaaltjes om te kijken naar films en te discussiëren over de guerrillastrijd van de Viet Cong, Camilo Torres en … Che Guevara. Wouter Gortzak jr. (de zoon van de CPN voorman Henk Gortzak) waarschuwde in de goed gevulde zaal van Atrium aan de Rotterdamse Karel Doormanstraat (Nomen est Omen) dat de guerrillastrijd alles behalve romantisch is. Wanneer mijn aandacht precies door Che Guevara werd gevangen, weet ik niet meer. Maar het was in die periode. Che was al dood voordat hij voor mij – als achttien jarige - ging ‘leven’. De VS waren niet meer de heilige bevrijders op de Normandische kusten, maar hadden ook hun duistere kanten. Dat ter discussie te stellen, stond garant voor een botsing met de gevestigde orde. Het was een symbool voor de generatiekloof van die tijd. De boel ging kantelen. Te beginnen tijdens de studenten- en arbeidersopstanden in Parijs. Door de straten, over de Boul Mich, werden de portretten van nieuwe en oude helden gedragen: Marx, Mao, Ho Chi Minh én …. Che Guevara. Zijn kop was het meest aansprekende voor de jeugd. Misschien was het wel mei ’68 dat Che voor mij tot leven kwam! We kennen ze. De spreuken op muren en plakkaten: Jesus Lives! Kurt Cobain Lives! Che Lives! Als ze over iemand roepen dat hij leeft, dan weet je zeker dat ie dood is. De tweede keer dat Che’s portret mijn aandacht ving, was tijdens mijn eerste echte buitenlandse vakantie in 1968. Nota bene in het Spanje van Franco! De linksrevolutionaire wortel was dus nog niet echt in mij geschoten. In een boekhandel aan een zijstraat van het centrale plein van Pineda de Mar, lag in de etalage een felrood boek met daarop het overbekende portret van Korda’s Che. Ik wilde dat boek kopen, maar het was in het Spaans, dus liet ik het maar. Een maand later verscheen bij uitgeverij Van Gennep het dagboek van Che in het Nederlands. Ik kocht het bij de communistische boekhandel Pegasus aan de Rotterdamse Hoogstraat. Sindsdien heeft Che mij nooit meer losgelaten. Cuba - 1971. Een bezoek aan Cuba werd steeds meer een verlangen waaraan moest worden toegegeven. Begin 1971 boekte ik een reis bij het ‘op Zuid’ gevestigde Rotterdamse reisbureautje de Swallows dat was gespecialiseerd in reizen naar Oost-Europa. Maar het boekte ook reizen naar Cuba. Het was in die tijd voor een jong mannetje een gigareis naar het revolutionaire walhalla, weliswaar via het orthodoxe Tsjecho-Slowakije van de onderdrukkers van de Praagse lente. Zo dubbel was het. Het waren de steile communisten uit Rusland en Oost Europa die Cuba overeind hielden tegen de blokkade door de VS. Cuba was heel bijzonder. Cuba is nog steeds bijzonder, maar tegenwoordig toch anders. Het verschil tussen 2000, het jaar dat ik er terugkeerde, en 1971 was groot: uitbundigheid versus soberheid. Een economische en ideologische knieval die was ingeleid met het wegvallen van de Sovjetsteun begin negentiger jaren. De constante factor: Fidel Castro. Bolivia - 1997. “Revolutionary People are not normal people”. Op 30 juni 1997, de dag van de overdracht van Hong Kong aan de Volksrepubliek China, ben ik onderweg naar het Titicacameer en Bolivia. Een dag later, na het passeren van de grens, is het eerste wat ik zie een krant met de kop “Podria Haber Mas: Encontraron restos de tres guerrilleros”. Een bericht over de vondst van de stoffelijke resten van drie guerrillero’s. De voorpagina vermeldt verder over die resten: … que posiblemente cayeron junto al “Che”. Vindplaats: het vliegveld van het provinciestadje Valle Grande. Het is bijna 30 jaar nadat hij de dood vond in La Higuera, een gehucht in de buurt. Op 17 juli worden de resten overgebracht naar Santa Clara in Cuba. Daar werd op oudejaarsdag 1958 de beslissende slag geleverd die het einde zou betekenen van de Cubaanse dictator Batista en de overwinning van Castro en de zijnen. In 2000 lukte het maar ternauwernood het mausoleum te betreden. Wie de sfeer ervan enigszins wil proeven moet de documentaire “De handen van Che Guevara” bekijken. Daarin zijn beelden te zien van het moment waarop een Boliviaan het mausoleum bezoekt, dezelfde man die begin 1970 de op sterk water staande handen van Che aan Castro overhandigde. De handen die na zijn dood werden afgesneden om, in geval van twijfel, Fidel het bewijs te leveren dat Che echt dood was. De vondst van de resten van Che op vrijwel dezelfde dag dat ik de Boliviaanse grens overstak, hernieuwt mijn belangstelling. Ter gelegenheid van de 30ste verjaardag van zijn dood verschenen de nodige biografieën, die ik gretig las. De sluimerende wens, om het gebied waar Che gestreden had te bezoeken, was definitief gewekt. wordt vervolgd |