|
KAAPSE KRONIEK - 3 (13112007) Zondag, 28 oktober 2007. We gaan vroeg op pad, Tafelberg links, Tafelbaai rechts. We laten het centrum van Kaapstad, de City Bowl, achter ons. De weg klimt en daalt en meandert om de voet van de heuvels heen. Warren, onze praatgrage chauffeur, geeft toelichting bij wat aan het oog voorbij glijdt. “The demographics are.....” begint hij keer op keer, waarna een opsomming volgt “in deze wijk wonen hoofdzakelijk blanken, middenklasse, weinig misdaad, vrijwel geen AIDS”. In Llandudno, een luxe villadorp aan het water, zijn er huis aan huis bordjes van beveiligingsfirma’s op de buitenmuur bevestigd. Toch maken de bewoners zich, volgens Warren althans, minder zorgen over hun “security” hun veiligheid, dan over de waarde van hun “securities” hun aandelen. We rijden langs de “Twaalf Apostelen” twaalf pieken van een niet al te hoge bergketen en via een bord waarop “Restaurant Suikerbossie” de passanten noodt, naar Houtbaai. Daar is iets mee aan de hand, dat weet ik zeker. Mijn geheugen laat me niet in de steek. Een paar maanden geleden berichtte de NRC over de, volgens mij alleen in de belevingswereld van een groep blanke inwoners aldaar bestaande, onafhankelijke “Republiek Houtbaai”. Het is een ludiek Zuid-Afrikaans verhaal over de stichting van een “blank thuisland” als antwoord op de creatie van zwarte thuislanden door de apartheidsstaat. Het aan alle kanten door bergen ingesloten villadorp ligt rond de Hout Baai, waar de VOC hout voor scheepsreparatie en de bouw vandaan haalde. Langs de haven is de zondagse toeristenmarkt aan de gang. Houten maskers uit verre buurlanden en beschilderde struisvogeleieren uit Zuid-Afrika zelf. Iets voorbij de haven slaan we rechts af een wijk in die voorheen voor niet blanken bestemd was en, zo te zien, is het ondanks het opheffen van de gescheiden woongebieden nog steeds zo. Is dit nu Hout Bay Heights of Harbour Heights? Het maakt niet uit, het verschil met de andere wijken is schrijnend. Niet alleen qua behuizing, ook de statistieken liegen er niet om. Armoe, werkloosheid, HIV/Aids, huiselijk geweld, alcoholmisbruik en drugsverslaving zijn vele malen hoger dan elders in dit “witte dorp”. Dat het nóg erger kan, blijkt aan de andere kant van de baai, daar ligt Imizamu Yethu, dat ook bekend staat als “Mandela Park”. Het is een “ìnformal settlement” oftewel een sloppenwijk. Het heeft de karakteristieken van de Afrikaanse sloppenwijken die ik uit Gabon en Nigeria ken. Uit alle denkbare materialen bestaande, dicht op elkaar gebouwde kleine onderkomens. Gaten in het wegdek, overmatig zwerfvuil, erg veel mensen op een kluitje. Verbetering, voor zover dat woord in deze mag worden gebruikt, is ook zichtbaar. Degenen die het beter gaat, hebben hout, plastic, karton of golfplaten vervangen door stenen of beton. Kort na de afschaffing van de apartheid streken hier plots vele duizenden mensen neer, volgens Warren om de uitkomst van de verkiezingen de “goede” kant op te laten tillen. Ze zijn nooit meer zijn weggegaan, het heet niet voor niets een “plakkerskamp” in het Afrikaans. Dat we door voormalig Nederlands koloniaal gebied rijden, wordt vlakbij Constantia bewezen door bijvoorbeeld de Spaanschematrivier. Zouden de mensen die hier wonen wel weten wat Spaanse matten zijn? “Hij haalde Spaanse matten aan boord en appeltjes van oranje” wordt in de buurt van Kaapstad hoogstwaarschijnlijk zelden tot nooit gezongen. In deze voorstad hoeft dat ook niet, “armlastig” is wel het laatste woord dat in deze Wassenaarachtige omgeving - maar net iets beter - in mij op zou komen. Flinke huizen met flinke tuinen, zwart beveiligingspersoneel dat op de fiets rondjes draait om de blanke bewoners zorgeloos van hun gerieflijke woonomgeving te laten genieten. Bomenrijk, heuvelachtig, weldadig weelderig. Een net gearriveerde landgenoot wil met zijn gezin in Constantia gaan wonen en is op zoek naar een geschikt optrekje. De chauffeur vermaakt zich. De overdreven zwaar beveiligde huizen worden volgens hem bewoond door mensen die afkomstig zijn uit Johannesburg en denken dat Kaapstad net zo onveilig is. In de pub waar we koffie drinken, is geen gekleurd gezicht te bekennen. Tot en met de bediening is blank. De gedachte komt bij me op dat dit op lokaal niveau het summum van luxe moet zijn. Hoewel er rond Constantia de nodige wijn wordt verbouwd, geven wij de voorkeur aan Stellenbosch. Aan de andere kant van Kaapstad. Dat zou het mooiste wijngebied van het land zijn. Waarom weet ik niet, maar ergens heeft die naam een magische klank. Zou het komen omdat na het opheffen van de economische sancties vanwege de apartheid, opeens volop Zuid-Afrikaanse wijn te koop was in Nigeria? Wijn die heel wat beter was dan de Europese wijnen die vaak veel te lang in een container in de volle zon van Lagos op inklaring hadden staan wachten en daardoor niet echt meer op dronk waren? Stellenbosch klinkt ook heel erg Nederlands en vertrouwd. In 1679 was het de tweede stad die door de VOC in de Kaapkolonie werd gesticht en door gouverneur Simon van der Stel, vrij fantasieloos dan wel vol van eigendunk, naar zichzelf werd vernoemd. Franse Hugenoten, die na de intrekking van het Edict van Nantes in 1685 dat voordien godsdienstvrijheid garandeerde, naar Nederland waren gekomen, mochten zich er vestigen en begonnen met de wijnbouw. De VOC bekeek de immigranten aanvankelijk met enige achterdocht. Ten onrechte, het zouden steunpilaren van de kolonie worden. Uit de achternamen blijkt dat hun nazaten hier nog steeds wonen: du Plessis, Joubert, le Roux, Fourie, Malan, du Toit, Marais, Theron en nog veel meer. Het is een prachtige streek met eindeloze wijngaarden die tegen de heuvels opklimmen. Op de achtergrond de Hottentotten Hollandbergen. De chauffeur beklaagt zich dat zijn volk door de Hollanders zo werd genoemd, “En strandlopers” voegt hij er aan toe. “Pas sinds kort weet ik wat ik echt ben, een KhoiKhoi“. Volgens de apartheidsregels was hij geclassificeerd een “kleurling” iemand met zowel Afrikaanse als Europese voorouders. wordt vervolgd |