KAAPSE KRONIEK - 2 (08112007)

Zaterdag, 27 oktober 2007. Bij het begin beginnen, dat lijkt me het beste. Bij het begin van Kaapstad, bij het fort, het oudste nog bestaande bouwwerk in Zuid-Afrika dat ter plaatse wat overdreven “het kasteel” heet. Kaapstad is een uit praktische overwegingen ontstane stad. Zo’n beetje halverwege de lange zeereis van Nederland naar Oost-Indië, op het ideale punt om de schepen van vers water, groenten, vlees en fruit te voorzien. Jan van Riebeeck landde er op 6 april 1652 en plantte er de vlag van de VOC - de Vereenigde Oostindische Compagnie. Het fort, dat het administratieve centrum van de Nederlandse kolonie zou worden, werd tussen 1666 en 1679 gebouwd. Zelfs zonder naar binnen te gaan, weet je dat het een stukje vaderlandse geschiedenis is. Op de buitenmuren van de vijf bastionen hangen borden met hun namen erop: Buuren, Leerdam, Oranje, Nassau en het ietwat frivool aandoende Catzenellebogen. De Prinsen van Oranje waren, en zijn geloof ik nog steeds, Graaf van het in Duitsland gelegen Catzenellebogen, vandaar. Boven de hoofdpoort het wapen van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, gesymboliseerd door de leeuw met zeven pijlen in zijn klauw. Er onder de stadswapens van Amsterdam, Rotterdam, Hoorn, Enkhuizen, Delft en Middelburg, de zetels van de VOC. De poort wordt bekroond door een ranke, typisch middeleeuwse Nederlandse klokkentoren. De ooit zo tactisch aan het water gelegen versterking, ligt er tegenwoordig geïsoleerd bij. Onvoorstelbaar eigenlijk dat dit een machtscentrum is geweest. Het wordt omringd door wegen en ligt in de schaduw van een flink formaat spoorwegcomplex. Door landaanwinning is de kustlijn een behoorlijk stuk opgeschoven. Op het nieuwe land is een prestigieuze zakenwijk gebouwd met vooral veel kantoren. Is het fort wellicht zo weggestopt om het verleden min of meer onzichtbaar te maken of te vergeten?

De bezoekers van het fort zijn hoofdzakelijk blanke Zuid-Afrikanen en blanke toeristen, de gekleurde medemens is zwaar ondervertegenwoordigd. In het “Huis van Secunde” dat in 1695 werd gebouwd voor de onderbevelhebber, wordt een deel van de William Fehr collectie van Zuid-Afrikaanse objecten tentoongesteld. Vooral meubels, tapijten, glaswerk, snuisterijen. En verschrikkelijk veel schilderijen, gravures en etsen met daarop schepen die in de Tafelbaai voor anker liggen met steevast op de achtergrond de onvermijdelijke Tafelberg. Het bewijs dat Kaapstad op de route van het Verre Oosten naar Europa lag, wordt overdadig geleverd door aardig wat oosters porselein. In een naastgelegen ruimte is de kunst heel wat minder traditioneel. Te beginnen met de afbeelding op de affiche, die verdacht veel weg heeft van de foto´s van de in de Abu Ghraibgevangenis door de Amerikaanse “bevrijders” gemartelde Irakezen. In plaats van een Irakees een gekleurde Zuid-Afrikaan. De symboliek druipt eraf. Het is een selectie uit de verzameling van de SABC - het Zuid-Afrikaanse equivalent van de NOS. Er wordt ruim aandacht besteed aan “the struggle” de strijd tegen het apartheidsregime. Sommige indrukwekkende zwart-wit foto’s vertellen heel wat meer dan ellenlange verhalen. Het is het enige onderdeel dat echt boeit.

Op naar de compagniestuin van de VOC. Omdat er in het gebied van de Kaap onvoldoende mogelijkheden waren om schepen te bevoorraden, werd een eigen bevoorradingsstation opgezet dat zou uitgroeien tot Kaapstad en de kolonie. Via de Adderleystraat wandel ik naar wat er nog van de tuin over is: een park waar op zaterdagmiddag paartjes zitten te vrijen in de schaduw van de bomen. Op een paar gebouwen zijn plaquettes bevestigd die de herinnering aan de aanwezigheid van de VOC en de tuin levend houden. Zoals: “Hierdie perseel was oorspronklik deel van die VOC se tuin. In 1693 het Simon van der Stel die gebied tans begrens deur Waalstraat, St. George’s straat, Adderleystraat en Langmarkstraat, waarvan hier die perseel deel uitgemaak het, toegeken vir die oprigting van een hospitaal vir die VOC. Die hospitaal is in 1699 voltooi”. Naast het parlementsgebouw, aan het begin van de tuin, staat een standbeeld van Koningin Victoria, ervoor een rij bomen die werden geplant ter gelegenheid van de kroning van George VI in 1937. Herinneringen aan de Britse overheersing. Verderop musea, een synagoge, het planetarium, oorlogsmonumenten. Een vijvertje met een cherubijntje zonder linkeronderbeen die een bordje in de handen geduwd heeft gekregen: “moet asseblief niet die visse voer nie”. Dat doet stukken aangenamer aan dan het onverbiddelijke vaderlandse “verboden de vissen te voeren”. Een vriendelijk verzoek in plaats van een streng gebod. Aan het eind van het park staat een witgekalkt schoolgebouw met een prachtig bloeiende jacaranda ervoor. Een lichte heimwee naar Buenos Aires steekt de kop op. Daar staan in het centrum van de stad op dit moment honderden jacaranda’s in bloei. Net in de mooiste maand van het jaar heb ik mezelf, heel stom, tot de andere oever van de Atlantische Oceaan veroordeeld.

’s Avonds eet ik samen met een collega in het “Victoria & Alfred Waterfront”, een populair winkel- en eetcentrum in het opnieuw ingerichte havengebied. Hoewel ik helemaal niets opheb met groots opgezette shoppingmalls, is het wel handig dat er een groot aantal restaurants met een uitgebreide keuze en veel variatie op een kluitje zitten. We eten bij Balducci’s, binnen is het vrijwel donker, waardoor het menu vrijwel niet is te lezen. Geen kaarsen, zelfs geen zaklantaarntje. Zuid-Afrikaans sfeervol? Met uiterste inspanning van de ogen ontdek ik struisvogelfilet op de kaart. Nooit eerder gegeten, dit is m’n kans. Niet gek, beter dan de koedoe van mijn hotel, doch ook het struisvogelvlees legt het af tegen de malse “bife de lomo” van Buenos Aires. Misschien heb ik de smaak voor het Kaapse kombuis, zoals een keuken in het Afrikaans heet, gewoonweg nog niet te pakken. Gelukkig is er tijd te over om dat proefondervindelijk te gaan ontdekken.

wordt vervolgd