KAAPSTAD VIA KANO (25102007)

Kort na het opstijgen van het vliegtuig meldt de gezagvoerder dat de vlucht naar Kaapstad via de Sahara en de Noordnigeriaanse stad Kano zal gaan. Pas als de eindeloze woestijn onder het toestel begint door te schuiven, worden mijn sluimerende herinneringen gewekt. Kano! Dankzij een heuse aanbevelingsbrief had ik kennis gemaakt met Sanusi, de oudste zoon van de Emir van Kano. Als je een verre stad bezoekt, kan zoiets geen kwaad. Zeker niet in Nigeria. Ik was vooral geïnteresseerd in de traditionele Hausa architectuur, gebouwen en huizen opgetrokken met in de zon “gebakken” lemen stenen. Die vervolgens keurig met bijna vloeibaar gemaakte klei werden afgewerkt, zowel binnen als buiten. Pleisterwerk van klei in plaats van kalk. Eenvoudige licht met lokale symbolen versierde voorgevels en, zoals ik uit de National Geographic wist, soms prachtig gedecoreerde interieurs. Wat dat betreft was het paleis van Emir het neusje van de zalm dat ik hoe dan ook van binnen wilde zien. Daarvoor kwam die aanbevelingsbrief goed van pas. Op de bonnefooi kwam je niet verder dan de paleiswacht, met Sanusi in de auto werden we doorgewuifd. Adembenemend mooi vond ik het. En dan de oude stadsmuren, eveneens van klei. Sinds de Britten de stad aan het begin van de vorige eeuw hadden ingenomen, was het een zinloze verdedigingslinie. Door gebrek aan onderhoud - leem is door regen en wind aan erosie onderhevig - was het eens zo imposante bouwwerk ernstig aan het vervallen. Grote stukken waren gesloopt wegens stadsuitbreiding en wat nog overeind stond, had zo te zien niet lang meer te gaan. Op mijn voorspraak kreeg het comité dat een deel van de muur wilde redden een stevige subsidie van mijn werkgever. Tijdens mijn afscheidsbezoek aan Kano kreeg ik een koran cadeau en een houten schrijfplank. “Omdat je altijd zoveel interesse voor onze cultuur hebt getoond”. Of dat geld inderdaad aan het behoud van de stadsmuur, en die twee of drie poorten die er nog waren, is besteed, betwijfelde ik altijd zeer. Helaas belemmert een wolkendek een blik uit de hoogte om te zien of ik ongelijk heb.

Tot mijn niet geringe opluchting werd net voordat ik uit het vaderland vertrok bekend gemaakt dat de 18 jarige Bianca uit Brunssum de mooiste billen van Nederland heeft. Dat compenseert een beetje het missen van de winnares van de eerder in het jaar door de Rotterdamse Baja Beach Club georganiseerde wedstrijd met als hoofdprijs een siliconen of zoutwaterinplant borstvergroting. En het missen van het kampioenschap saunazitten en het kampioenschap mobieltjes gooien. Dwergwerpen mag dan zijn verboden, het organiseren van andere zinloze kampioenschappen gaat onverminderd door. Oogstrelende “billboards” van een clubje mooie meidenbillen op een scooter fleurden in de zomermaanden het stadsbeeld op. De uitdaging van een ondergoedfabrikant aan andere mooie meidenbillen om meet te doen met hun speurtocht naar “het mooiste kontje van Nederland”. “Als jij vindt dat je billen er mogen zijn, dan moet je gewoon meedoen! Waar wacht je dus nog op? Wellicht zit jij op dit moment wel op een goudmijn! Stuur je mooiste billenfoto in”. Leuke beeldspraak dat “zitten op een goudmijn”. Meer dan 2.500 meiden gaven gehoor aan de oproep. Via de website van Sloggi kon iedereen een stem uitbrengen op de billen van zijn of haar keuze. Tijdens de halve finale werden 10 paar opvallend autochtone billen geselecteerd voor de eindstrijd, tijdens welke een “jury van billenkenners” het “knapste kontje” selecteerde. Dat van Bianca uit Brunssum dus.

De al een poosje knagende vraag “Wat is een Kapsalon-Döner?” werd, dankzij het stadsmagazine NL10, eveneens op de valreep beantwoord. Deze snelle hap, die vrijwel uitsluitend door allochtone snackbarhouders wordt verkocht, was mij nooit eerder opgevallen. Maar toen waren die borden met afbeeldingen van een “voorbeeldmaaltijd” die voor die winkels op straat staan, nog niet zo in zwang. Op bijna al die borden wordt tegenwoordig de “kapsalon” aanbevolen. Hoe komen ze aan die naam? Wat zit erin? Op de foto’s ziet het er niet al te smakelijk uit. Een gevulde alubak, een gele toplaag versierd met wat groen en soms wat rood. Sla, tomaat? De als “snack” omschreven maaltijd, werd volgens NL10 zo’n drie jaar geleden “uitgevonden” door, jawel hoor, de Rotterdamse kapper Tati. Hij had zin in patat én shoarma. Niet apart, maar samen in een bak. Dat stond nergens op het menu, maar een bevriende snackbarhouder maakte het voor hem klaar. Collega’s waren enthousiast en suggereerden verbeteringen. Zo kwam er een plak kaas bovenop en wat sla, komkommerschijfjes en tomaat. Het schijnt dat de rage aan het overslaan is naar andere steden. In Rotterdam werd de eerste “kapsalontest” gehouden. Volgens de kenners - de kapper en een vriend - is de lekkerste kapsalon te koop bij snackbar El Aviva, de uitvinder. Naar mijn smaak een nogal opzichtig voorgekookt resultaat.

Door tijdgebrek moet ik de workshop “Flirten naar zakelijk succes” jammer genoeg laten schieten. Volgens de cursusleidster “maakt flirten een leuker mens van je” en “krijg je met flirten meer voor elkaar”. Daarmee moet je bij mijn werkgever erg oppassen, klachten wegens “seksuele intimidatie” liggen op de loer. Wat in het ene land heel gewoon is, kan in een ander land tot een berisping of zelfs ontslag leiden. Kortgeleden vatte een collega het dilemma mooi samen. “Als ik in Londen mijn secretaresse op de wang zou zoenen, loop ik de kans te worden aangeklaagd. Als ik in Buenos Aires mijn secretaresse niet zou zoenen, loop ik hetzelfde risico”. Dat laatste, hoewel wat overdreven, beschrijft in redelijke mate de culturele verschillen. Vanaf morgen ga ik in Kaapstad ontdekken welke gevaren er daar op de werkvloer op de loer liggen, maar met flirten wacht ik nog even.