|
ZESTIG PLUS (09102007) Het is druk in de voormalige autoshowroom waar mijn oudoom Jan Sybe de Jong lang geleden met enige regelmaat het laatste model Chevrolet Impala kocht. Slagschepen waren het die destijds op deze plek werden verkocht en een noodzakelijk kwaad voor een succesvolle Rotterdamse aannemer in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw. Zeker in de ogen van de collega’s. Toen hij eens op een bouwvergadering verscheen in het DAFje van mijn tante Froukje, werd zeikerig geïnformeerd of de zaken dusdanig slecht gingen dat hij zich geen “echte” auto meer kon veroorloven. Dat wat de laatste keer dat hij in het DAFje reed. Pieterse & Co heette de dealer van de grote Amerikaanse auto’s die op de hoek van de Nieuwe Binnenweg en de Gouvernestraat was gevestigd. Aan de rand van het Oude Westen, toen een echte Rotterdamse arbeiderswijk, waar tegenwoordig vrijwel uitsluitend medelanders wonen. De drukte op een herfstachtige vrijdagmiddag heeft niets met auto’s te maken, maar met kunstenaars. Ik weet niet meer wanneer de showroom, waarin altijd blinkende auto’s stonden, werd omgebouwd tot een toonzaal voor beeldende kunst. De Artotheek werd er gevestigd en een kleine expositieruimte. Vandaag is er een bijeenkomst van ouwe jongens onder elkaar, heel letterlijk. Er wordt een boek ten doop gehouden met de titel “Zestig Plus”. Zestig Rotterdamse kunstenaars van zestig jaar en ouder worden erin geportretteerd. Het is een vervolg op “Rijk ben ik er nog niet van geworden” een soortgelijk boek over 47 Rotterdamse kunstenaars, bekend en onbekend. Men is stipt op tijd begonnen, echt Nederlands. Vijf minuten te laat, zoals ik, en je hebt de eerste spreker gemist. Niet dat zoiets me stoort. Een andere spreker, de directeur van het Fotomuseum die min of meer verkondigt dat fotografie niets voorstelt - althans zo kwam dat bij mij over - is zelfs iets te veel van het goede. Nadat iedereen heeft gesproken, begin ik spontaan bijna in de wederopstanding te geloven als Pierre Janssen het woord neemt. Die man was al stokoud toen hij in mijn jeugd het onvergetelijke televisieprogramma “Kunstgrepen” presenteerde. Ik ben niet de enige aanwezige die er van overtuigd was dat hij al jaren geleden was uitgestapt. Niet dus. Hij is ook niet echt springlevend, want na een paar nauwelijks te horen woorden verdwijnt hij alweer naar de achtergrond. Toch was alleen het van afstand zien van deze icoon een hele belevenis. Wat naast de “zestig plus” kunstenaars en Pierre Janssen aan het verleden herinnert, zijn de foto’s van Frits Rotgans in de expositieruimte. “Havengezichten” is de titel en havengezichten zijn het. Beelden van de Rotterdamse havens zoals die er in mijn tienerjaren uitzagen. Vol met zeeschepen, kustvaarders, rijnaken, sleepboten, elevatoren, beweging, stoom, bedrijvigheid. De foto’s van Rotgans visualiseren mijn herinneringen aan het Rotterdam van toen op een bijzondere manier. Katendrecht waar je geen water kon zien omdat de kades waren volgebouwd met loodsen, fabrieken en pakhuizen. Vrijwel allemaal gesloopt zodat je nu langs de vrijwel lege havens kunt wandelen. Alleen aan de kant van de Rijnhaven staat nog wat oude bebouwing overeind. De Wilhelminapier aan de overkant, het pronkstuk van de Kop van Zuid. Destijds verboden gebied. Tussen waar nu het Luxor Theater en het kantoor van de KPN staan, was een poort die de pier afsloot. Wie er niets had te zoeken, werd niet toegelaten. Alleen vanaf de andere oever van de Maas kon je naar de schepen van de Holland Amerika Lijn bewonderen, van dichtbij bekijken was er niet bij. Slechts één keer is me dat gelukt. Onze benedenbuurman werkte als kraanmachinist bij de HAL en op een dag mochten mijn vader en ik met hem mee. De “Rotterdam” of de “Nieuw Amsterdam” lag afgemeerd en we konden zelfs een kijkje aan boord nemen. Ongelooflijk nu, maar toen was dat echt een heel exclusieve ervaring. De Müllerpier en de Lloydspier, waar broodjes tin lagen gestapeld en de Willem Ruys afmeerde. Geen havenkraan meer te zien, alleen maar bouwkranen. Jarenlang fietste ik van Rotterdam Zuid naar mijn school in Kralingen langs de Maashaven en Rijnhaven. Langs de nu vrijwel geheel gedempte Spoorweghaven en de Entrepothaven. De Maashaven lag dag in dag uit vol met zeeschepen die graan kwamen lossen, zowel langs de kade als opgelijnd aan boeien of de meerpalen die er toen nog stonden om de ruimte optimaal te benutten. Een beeld dat door mijn grootvader werd vastgelegd met olieverf. Drijvende graanelevatoren lagen langszij de grote zeeschepen gemeerd en zogen het graan in een binnenschip. De Graan Elevator Maatschappij - GEM - en de Meneba, de Meelfabriek der Nederlandse Bakkerijen hadden vaste - inmiddels zwaar afgetakelde - elevatoren op de kade staan. De Meneba bestaat en werkt nog steeds, in de betonnen silo’s van de GEM is sinds een paar jaar de disco Now & Wow gevestigd. Voor zover ik weet ligt de laatste drijvende graanelevator afgemeerd in de Leuvehaven, als onderdeel van de collectie van het Havenmuseum. Het contrast tussen de foto’s van Rotgans en de hedendaagse realiteit is enorm, bijna schokkend. De gegraven havens die Rotterdam zoveel economische bloei hebben gebracht, dienen nergens meer voor en zouden eigenlijk best gedempt kunnen worden. Die gedachte dringt zich aan mij op als ik de Sluisjesdijk afloop tot aan de kop van de Waalhaven, de grootste van allemaal. Bij hoogwater was het een spitsuur van komende en gaande schepen. De haveningang is niet al te breed en je kon er de schepen bijna aanraken Nu hangen er hengelaars rond en ruikt het naar nootmuskaat. Bah! De enige boot die voorbij komt is van de havendienst. Op de weg terug naar overkant van de Maas informeert een toerist waar hij schepen kan zien. “Vroeger hier, maar nu niet meer”, antwoord ik met enige nostalgie. Op dat moment voel ik me heel even “zestig plus”. |