|
VAN VOLLENHOVENSTRAAT (03102007) Op het Gare du Nord komen twee oudere heren tegenover me in de Thalys zitten. Een grijzende Afrikaan en een oudere Europese metgezel. Ze spreken Frans met elkaar. Het accent van de Afrikaan verraadt dat hij uit West-Afrika komt, de Europeaan is vast en zeker een landgenoot. De Afrikaan praat enthousiast over de film die hij in Amsterdam gaat afmonteren. “Een film van 52 minuten” bevestigt hij desgevraagd. Een korte inhoudsopgave volgt. De filmer volgde vijf vrouwen in hun strijd om het dagelijks bestaan. Eén kweekt groenten die ze op de markt verkoopt, een ander maakt bier van gierst, de derde verzamelt oud ijzer en leeft van wat dat opbrengt, de volgende maakt en verkoopt houtskool. Wat de vijfde doet, herinner ik me niet meer. De titel wel “La femme porte l’Afrique”. “Op het platteland gefilmd?” vraagt de Europese heer belangstellend. “Nee, in de stad”. Hij is zo te horen geen Afrika kenner. De scènes die worden beschreven komen mij erg bekend voor. Het gesprek dat de twee voeren is interessanter dan het boek dat ik probeer te lezen. Verhalen van V.S. Naipaul nota bene, één van mijn favoriete auteurs! Afrika trekt op dit moment echter een stuk harder dan de norse Nobelprijswinnaar uit Trinidad. De Afrikaanse heer vertelt verder. Van wie hij zoal subsidie heeft ontvangen om zijn documentaire te kunnen maken. TV5 bijvoorbeeld en het Ministerie van Cultuur van Côte d’Ivoire. Een Ivoriaan! Dat hij niet van zijn films kan leven en doceert aan een academie voor “schone kunsten” om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Eigenlijk is het niet beleefd om net te doen of je een boek leest, terwijl je ondertussen stiekem luistert naar de conversatie van anderen. Ik besluit om de schijn niet langer op te houden, doe het boek dicht, overwin mijn schroom en meng me in het gesprek. “Heeft u de opnamen in Abidjan gemaakt?”, vraag ik. “Inderdaad. Kent u mijn land?” Dat is het geval. Lang geleden ben ik in Abidjan geweest, in Grand Bassam en in Yamoussoukro. Ik logeerde in Hotel Ivoire en ontmoette in Grand Bassam een Libanese filmdistributeur die een magazijn vol met films in platte ronde blikken trommels had. Een heel verschil met de DVD’s van tegenwoordig. “Was u er voor of na de oorlog?” Lang voor de oorlog, in 1993. Dat er sindsdien veel is veranderd, las ik kort geleden in de NRC, waarin de correspondente de nuttige toeristische tip gaf dat men zich in de Rue Princesse voor een kwartje kan laten pijpen. “Heb je in Afrika gewoond?” Tijd om op te biechten dat ik zowel in Gabon als Nigeria heb gewoond. Hij begint te lachen “Vous êtes du pétrole!” Touché! We wisselen namen en adressen uit. De Ivoriaan heet Idrissa, de Nederlander Philo. “U komt uit het noorden?” vraag ik Idrissa. “Vous connaissez mon pais très bien!” complimenteert hij me. Bij het zien van mijn woonplaats meldt Philo dat er in Buenos Aires een grote Joodse gemeenschap woont. “Wel 300 duizend”. Hij heeft er familie. Een neef die fotograaf is woont in de stad, de rest in de provincie. Allen zijn nazaten van Litouwse joden. Naderhand zie ik – het internet onthult vrijwel alles - dat hij een boek over het Joodse leven in Amsterdam van voor de Tweede Wereldoorlog heeft gepubliceerd “Herinneringen aan Joods Amsterdam”. We praten over antropologen. Over de Dogon in Mali, waar zowel Idrissa als ik zijn geweest. Beiden vertellen over Jean Rouch, een Franse cineast en antropoloog. Eenmaal thuis lees ik dat Rouch een fameus Afrikadeskundige was die een indrukwekkend oeuvre lange en korte films over het continent op zijn naam heeft staan. Idrissa is een oud leerling van hem. Rouch maakte in 1950 “Cimetière dans la falaise” over de begrafenisriten in de Dogon. Ik vertel over Herman Haan, de Nederlandse architect die in 1964, vergezeld door een cameraploeg van de NCRV, op expeditie ging naar de Dogon. Eén keer in de twee weken kwamen zwart-wit beelden op de televisie van de Tellem, de graven in de steile rotswand van de Falaise de Bandiagara en hoe Haan zich in een metalen bol naar beneden liet zakken om een grafruimte te onderzoeken. Over Pierre Verger, de Franse fotograaf, filmer en antropoloog, die prachtige documentaires maakte over de invloeden van de Afrikaanse cultuur en godsdienst in Brazilië, met name rond Salvador de Bahia. We delen dezelfde interesses en passies! De trein snelt langs de A1 – de Autoroute du Nord - er is geen tijd om naar buiten te kijken, het gesprek is veel te boeiend. Er worden sandwiches tevoorschijn gehaald, Idrissa biedt mij er één aan. Echt Afrikaans, dat delen van het voedsel. Daarna trekken de heren zich terug in de bar om “mon dossier” van Idrissa te bespreken. Dat geeft mij volop de gelegenheid om deze onverwachte ontmoeting de revue nog eens te laten passeren. Als ze terugkomen, gaat hun gesprek over Joost van Vollenhoven. Geboren in Rotterdam in 1877, opgegroeid in Algerije waar zijn ouders zakelijke belangen hadden. Hij werd genaturaliseerd tot Fransman, werd koloniaal ambtenaar in Indochina en later Gouverneur Generaal van Frans West Afrika in Dakar. Daar droeg een lyceum zijn naam – inmiddels herdoopt in Lycée Lamine Gueye – iets dat Jean Rouch intrigeerde. Hij sprak erover met Idrissa en Philo, hij was van plan een film over van Vollenhoven te maken. Helaas verongelukte Rouch een paar jaar geleden in Niger. Beide heren hebben de fakkel overgenomen en zijn onderweg naar Amsterdam om verder onderzoek te doen en te zien of zij wellicht de documentaire over zijn leven kunnen maken. Van Vollenhoven verzette zich tijdens de Eerste Wereldoorlog tegen de politiek van Clemenceau om Afrikaanse soldaten aan de Franse zijde mee te laten vechten. Hij nam ontslag, nam dienst in het leger en sneuvelde aan het Marnefront, alwaar een aan hem opgedragen oorlogsmonument staat. “Er is een van Vollenhovenstraat in Rotterdam, ik zal uitzoeken of het iets met jullie Joost heeft te maken”. Dat blijkt inderdaad zo te zijn, doch het is een andere Joost van Vollenhoven, een oud burgemeester van Rotterdam. Op het Centraal Station van die stad scheiden onze wegen zich. Zelden was een treinreis zo aangenaam en leerzaam. |