|
DAGBOEK TERSCHELLING - 3 (25082007) Zaterdag, 18 augustus 2007.Spontaan begin ik een gouwe ouwe van Boudewijn de Groot te zingen. “Hoe sterk is de eenzame fietser die kromgebogen over zijn stuur tegen de wind, zichzelf een weg baant?” Iedereen thuis slaapt wat langer dan ik. Vroeg uit de veren, snelle douche, snel in de kleren en op de fiets om Terschelling verder te verkennen. Om de beelden op te roepen uit mijn kinderjaren. Toen mij een paar dagen geleden werd gevraagd wanneer de laatste keer was dat ik op eiland was, moest ik heel erg lang nadenken. Het was in ieder geval voordat mijn ouders naar Rotterdam verhuisden, ik moet een jaar of tien zijn geweest. Veel te lang geleden. De wind komt meestal uit het westen en na mijn wat moeizame ervaring van gisteren weet ik weer dat het beter is om met tegenwind heen en met rugwind terug te fietsen. Dus eerst richting West-Terschelling. Aan de buitenkant van het dorp een boerderij met de naam “Landzicht” vast en zeker terecht toen het huis werd gebouwd. Het moderne uitzicht bestaat echter uit van die lelijke bouwpakketblokkendoosfabriekshallen. Even later Hotel Bornholm dat, geloof ik, bij mijn vorige bezoek het “moffenhotel” werd genoemd omdat er hoofdzakelijk Duitse toeristen logeerden en het einde van de oorlog nog veel te dichtbij was. De Brandaris, de vuurtoren, daar wil ik naar toe. Makkelijk te vinden omdat het het hoogste gebouw van het eiland is. We logeerden destijds vlakbij en mochten de toren beklimmen. Nu hangt er een bordje naast de voordeur dat bezoekers niet welkom zijn. Ongelooflijk. Het dorp ligt er vroeg op zaterdagmorgen verlaten bij. Geen veerboot die op het punt staat naar de wal - naar Harlingen - te vertrekken, het Behouden Huys is nog niet open, dus bewonder ik slechts de mooie stoeppalen voor de deur. Net buiten de bebouwde kom een standbeeld van een treurende vrouw die tevergeefs wacht op man, zoon of broer. “Monument voor alle Terschellingers die niet zijn teruggekeerd van zee” staat er op de voet. Een eindeloze zandvlakte ervoor, richting Vlieland, het buureiland dat eigenlijk heel dichtbij is, maar niet heus door de sterke stroming in het zeegat. Daar liepen we op mijn vorige vakantie in een enorme zandstorm, zo herinner ik me opeens. Het Groene Strand, Doodemanskisten, een duinmeertje waar vroeger een begraafplaats zou zijn geweest. Door een niet bedoelde afslag te nemen kom ik bij een echte begraafplaats terecht. Daar ga ik op zoek naar familie, doch ontdek geen enkele grafsteen waarop “de Groot” of “Krakau” staat. Het is overigens een prachtige dodenakker, zo een waar je als niet betrokkene met plezier over de meanderende en klimmende paadjes kan wandelen en kan genieten van de boomrijke omgeving. Verder, als maar verder, fiets ik door het door Staatsbosbeheer aangelegde bos. West aan Zee, duinen, duinpannen en duinmeertjes, Midsland aan Zee, Midsland. Weer thuis leer ik hoe je koffie moet zetten met een Senseo apparaat. Alsof ik vanuit het Stenen Tijdperk opeens in de 21ste eeuw arriveer. Tegen de avond brengen we wat gasten naar de boot en bezoeken de aardige boekhandel die in een voormalig kerkgebouw is gevestigd. Dat daar geen moskee van is gemaakt, verbaast me nauwelijks. Tijdens de afgelopen dagen heb ik niet één met een hoofddoekje bedekt vrouwen- of meisjeshoofd gezien, noch gekleurde medemensen. Terschelling blijkt zowaar blanker dan Buenos Aires. Zondag, 19 augustus 2007. Gistermorgen naar het westen gefietst, vandaag naar het oosten met als einddoel Oosterend. Deze keer niet over het fietspad aan de onderkant van de Waddendijk, maar over de in 1909/10 aangelegde weg die als een ketting alle dorpen op het eiland aan elkaar rijgt. Aan het einde staat een gedenksteen, het Hoofdwegmonument. “Deze weg lang 14,5 kilomter is gelegd met steun van het Rijk, de Provincie en den heer A.C.A. Eschauzier te ’s Gravenhage”. Wat diens bijdrage is geweest vermeldt de historie niet en kan ik nergens ontdekken. Dat de Eschauziers een Terschellinger familie is wel, maar daar houdt het mee op. Onderweg in Formerum de “Koffiemolen” waar volgens mijn neef en nicht zo’n beetje de slechtste koffie ter wereld wordt geschonken. Hoe kan het ook anders, wie geeft een mooie molen – de enige molen op het eiland nota bene - nu zo’n lullige popiejopienaam? De buren kunnen er trouwens ook wat van. Wat te denken van de “Cranberrylekkermakerij”? Komend vanuit West bij het standbeeld van Willem Barendts nooit linksaf slaan! Rechtsaf ligt op dat punt het Wrakkenmuseum en de camping “de Appelhof“ waarover in het boek “Terschelling, oeverloos eiland” prachtige verhalen staan die ik niet zal navertellen, maar die zeer de moeite waard zijn. Hoorn, het volgende dorp heeft “een Sjouw” uit het verleden bewaard. In mijn ogen het eenvoudigste instrument ooit uitgevonden om in de wijde omgeving de tijd zichtbaar te maken. Geen zonnewijzers, geen kerkklokken, geen vestzakhorloges, de sjouw of tijdbal verslaat alles. Een simpele gevlochten ronde mand, die als een vlag langs een paal omhoog kan worden gehesen, liet de arbeiders in de wijde omgeving weten hoe laat het was en of de werkdag er al dan niet opzat of dat het melktijd was. Prachtig! Oosterend is daarna een beetje een afknapper qua dorp, maar het hoge Jan Thijssenduin in de “achtertuin” maakt dat weer goed. Aan de ene kant de Waddenzee, aan de andere kant de Noordzee, aan de zijkant de Boschplaat en Ameland. Rechts de duinvalleien die op een grijs maanlandschap lijken, aan de Waddenkant de prachtige groene polders. Het duin zou door Thijssen eigenhandig met helmgras zijn “vastgezet” waarvoor hem destijds een vergoeding van een ouderwetse rijksdaalder zou zijn betaald. Ook in Friesland was “zuunig”. wordt vervolgd |