|
DAGBOEK GUATEMALA - deel 9 (20062007) Zaterdag, 26 mei 2007. Het verraste me wat, die verboden “niet katholieke“ Siete Potenciaskaarsen naast de schrijn van de Heilige Hermano Pedro tegen te komen. Kaarsen die zeven kleuren hebben en in een glazen pot zitten waarop Jezus aan het kruis omringd door de katholieke evenbeelden van Afrikaanse goden is afgebeeld. Het schuilkerkconcept in andere vorm. Die kaarsen kom je tegen waar veel nazaten van Afrikaanse slaven wonen, zoals in Cuba en de Dominicaanse Republiek. Hoewel er een paar honderdduizend langs de Caribische kust van Guatemala wonen, de Garifunas, zie je die nauwelijks aan deze kant van het land. Het parkeerterrein binnen de muren van de kerk boert goed, de toeristenmarkt ook. Farizeeërs in de Tempel meldt mijn calvinistische opvoeding van weleer. We lunchen in het restaurant van Doña Monica, de moeder van mijn collega. In de entree zit een Maya vrouw op de grond tussen haar koopwaar, ze heeft een klein weefgetouw op schoot. Dat komt me bekend voor. Niet omdat ik het eerder zag, maar omdat het door Rigoberta Menchú in haar boek wordt beschreven als iets dat een vast onderdeel is van de opvoeding van een traditioneel Maya meisje. Mijn reisgenote, die kort geleden zelf een klein weefgetouw kocht, beseft al kijkend en vragend dat ze nog veel moet te leren “ze weeft die patronen uit haar hoofd!”. Guatemalteken zijn verfente soepeters, en dat in een land waar het altijd zo warm is. Ik wil een lokale schotel proeven en moet kiezen tussen “pepian” of “jocón”. Bij het opdienen blijkt de ene een soep te zijn die wordt bereid met rode groenten, de andere met groene. Terwijl we eten zijn in de tuin de voorbereidingen voor een eindexamenfeest aan de gang. De deejay bereidt zich dusdanig goed voor, dat conversatie onmogelijk wordt. Daarnaast heeft Ma heeft het zo druk dat we het toetje later op de dag moeten komen eten. Volgende kerk “La Merced”, met een rijk versierde façade die we uitgebreid kunnen bewonderen omdat er net een begrafenisstoet arriveert. Doden hebben voorrang. In de patio van het naastgelegen klooster staat een enorme fontein. Het gebouw zelf stelt weinig voor, er moet nog heel erg veel gerestaureerd worden. Mijn vooroordeel dat die katholieke geestelijken uitstekend voor zichzelf zorgden, wordt eens te meer bevestigd. Het is een kloostertuin waarin het een genoegen moet zijn geweest om gezellig, doch vroom, met de medebroeders te brevieren. Via Posada “Asjemenou” - waar zou de eigenaar vandaan komen? – een Sushirestaurant met een Argentijnse barkeeper en Argentijns restaurant “Ni Fu Ni Fa – Niets Bijzonders” komen we – hé hé eindelijk wat Guatemalteeks – in Hotel Don Rodrigo terecht. Dat is gevestigd in een bijna 300 jaar oud statig huis met twee mooie patio’s. De eerste is, in mijn ogen althans, een slim ingerichte “tourist trap”. Maya vrouwen met hun kleurige, maar dertien in een dozijn, souvenirs, schilders die een doek per uur afleveren en.... een marimbaorkest. Twee marimba’s met drie man achter zo’n bak die op een sterk uitvergrote houten xylofoon lijkt, is erg speciaal. Dat ze net “Antigua Guatemala” spelen, is iets teveel van het goede. Ik heb opeens genoeg van Antigua. Gelukkig begint het te regenen en hoef ik geen lullige smoes te bedenken om de terug te gaan naar de nieuwe hoofdstad. We haasten ons naar Do?a Monica. Het toetje wacht, het tuinfeest ook. De deejay draait Juan Luis Guerra, de populaire Dominicaanse zanger. Ik waan me heel even terug in Santo Domingo. Als voorproefje van de reis van morgen naar Tik'al passeren we op de terugweg een tempel met de naam “Kamasutra – Templo del Amor”. Goh, wat zou dat nu zijn? Tip: het heeft niets met Maya’s te maken. Bij terugkomst in het hotel eindigt de dag, zoals die was begonnen. In de kleine lounge voor de vaste gasten van de hotelketen zijn we getuige van een ietwat bizar gesprek tussen Amerikanen die de Spaanse taal niet machtig zijn en Guatemalteekse vrouwen die vrijwel geen Engels spreken. Aan de “huiskamertafel” wordt min of meer onderhandeld over de aankoop van een kind. Een dikke goedzak van een man, een pinnige vrouw en een dochter, die overduidelijk niet hun natuurlijke kind is, aan de ene kant. Tegenover hen de twee vrouwen, die moeder en dochter zouden kunnen zijn. De Amerikaanse vrouw spreekt op luide toon wat krom Spaans – dan begrijpen ze het vast en zeker - Engelse woorden met een aangezet Spaans accent of kindertaal Engels. Terwijl we koffie inschenken, volgen we de conversatie en gaan aan een tafeltje vlakbij zitten. Mijn ogen lezen de krant, mijn oren volgen het gesprek. Er blijkt maar één jongetje in de aanbieding te zijn. De aanstaande ouders denken echter dat ze in de babysupermarkt zijn, waarvan de schappen dan wel vrijwel leeg zijn, maar waar vast en zeker nog een voorraadje in het magazijn ligt. Via omwegen komen ze steeds terug met de vraag “Dus dit is de enige baby?” Zo te horen is het bovendien een jongetje met een fabrieksfoutje. Het is hen noch ons duidelijk wat de rol van de beide dames is. Eerst denken we allemaal dat ze in een weeshuis werken, doch dat wordt steeds verder afgezwakt. Even later lijkt het meer op een soort dagverblijf. “Directora?” vraagt de Amerikaanse een paar keer. Nee, ook dat niet. Tussendoor wordt er een paar keer “God bless you” gezegd vanwege “het geweldige werk dat jullie doen”. Op herhaling “Dus dat jongetje is de enige?” Niet alleen is dat nog steeds het geval, er wordt evenmin verwacht dat de voorraad binnenkort zal worden aangevuld. Nee, de baby is niet in de hoofdstad en het meisje is niet de moeder. Ik krijg sterk de indruk dat de dames tussenpersonen zijn die hun handel zo snel mogelijk willen slijten. Na nog een kop koffie houden wij het voor gezien. Het gesprek kabbelt op dezelfde manier voort. “Dus alleen dit ene jongetje?” wordt vervolgd |