|
DAGBOEK GUATEMALA - deel 8 (15062007) Zaterdag, 26 mei 2007. ”Wacht u op een baby?” hoor ik een vrouw met een in een dekentje gewikkelde baby in haar armen aan een wachtende Amerikaanse vragen. Het regenseizoen begint en dat wordt in Guatemala “de winter” genoemd, hoewel de dagtemperatuur tegen de 30 graden aanleunt en de vochtigheidsgraad steeds hoger wordt. Het antwoord is bevestigend. Dan komt de tegenvraag “Hoe heet deze?” De naam hoor ik niet, alleen de reactie “Oh nee, die is niet van ons! De onze heet anders.” De vrouw met baby, die wordt vergezeld door twee al wat grotere kinderen, gaat weer zitten en wacht gelaten totdat de “echte” adoptie ouders komen opdagen. Ook tijdens het weekeinde wordt uw bestelling aan huis afgeleverd. Aldus begint de dag dat ik de stad Antigua voor het eerst bij daglicht ga bekijken. Hoewel ik er vele keren eerder ben geweest, kwam daar nog nooit wat van. Aan het eind van een werkbezoek gingen we vaak naar Antigua, met de auto een uurtje verderop, voor een korte wandeling en om te gaan eten in het Convento de Santo Domingo. Die wandeling was steevast in het schemerduister en langs de vaste wandelroute van de gastvrouw, alsof er dingen te zien zouden zijn die het daglicht niet kunnen verdragen. Antigua werd in 1543 gesticht als Santiago de los Caballeros en was gedurende meer dan twee eeuwen de Spaanse koloniale hoofdstad van Centraal Amerika. Totdat een grote aardbeving de stad in 1773 vrijwel geheel verwoestte en werd besloten een nieuwe hoofdstad verder landinwaarts te bouwen. Een paar jaar later zou de opdracht zijn gegeven om de stad te verlaten en de schade niet verder te herstellen. Dankzij de koppige bisschop van Santiago, die daar geen zin in zou hebben gehad, is een goede indruk te krijgen van hoe een barokke Spaanse stad er moet hebben uitgezien. Veel ruïnes, vooral kloosters en kloosterkerken, maar ook grote huizen met ruim bemeten patio’s en doodgewone woningen. Sommige kerken zijn geheel of gedeeltelijk in gebruik, van andere staan niet meer dan een paar muren overeind. Zoals bij de eerste de beste die wij aandoen, die van El Carmen, waar een deel van de fraai bewerkte façade er nog bij staat zoals vlak na de aardbeving. Op de straat ervoor is een marktje waar nazaten van de Maya’s hun veelkleurige huisvlijt aan toeristen proberen te slijten. Bijna als vanzelfsprekend gaan we van kerk naar kerk, met af en toe iets anders. Via de gevangenis, kijkjes op patio’s en het centrale plein lopen we naar de kathedraal. Opnieuw een fraaie gevel waarin veel beelden van heiligen in nissen staan, de meeste missen hun handen. In een gerestaureerd deel wordt gekerkt, het grootste deel is echter een “openlucht” museum oftewel een dakloze hoge ruimte. Zoals het hoort zweven de stucwerk engelen in de hoogte. Overigens wel een mooi gezicht. Naast de zijuitgang is de voormalige universiteit. Onder het wapen van het Vaticaan staat: “Dit is het oude gebouw van de Universiteit van San Carlos die werd gesticht in 1675. Hier vandaan straalde de cultuur uit over heel het Koninkrijk Guatemala”. De arrogante schrijver van die tekst was voor het gemak even vergeten dat honderden jaren voordat het katholicisme werd uitgevonden, de hoog ontwikkelde Mayacultuur al in heel Guatemala was verspreid. Op naar de schrijn van Hermano Pedro (1626 – 1667), de in 1992 heilig verklaarde missionaris die van Tenerife naar de Nieuwe Wereld trok. Hoogstwaarschijnlijk om de vermeende goddelozen te kerstenen, maar ook om onbaatzuchtige hulp te verlenen. Voor de kapel waar het hoofdkwartier van zijn goede werken is gevestigd, staan kleurig geklede Maya vrouwen met kind in wikkeldoek op de rug. Net Afrika, gaat er opnieuw door me heen. Aan de andere kant van het plein is een overdekte openbare wasplaats, die wel iets weg heeft van een middeleeuwse vismarkt in de Nederlanden. Grote betonnen bakken met stromend water, waar vrouwen de was staan te doen. “Wonen jullie ver weg?” informeert mijn reisgenote. “Twee Quetzales met de bus” is het onverwacht authentieke antwoord. Op een dollarkwartje afstand ligt het dorp Santa Maria waar geen leidingwater is.Tegenover de kerk van San Francisco, waar de stoffelijke resten van Hermano Pedro liggen, staat een huis waar vroeger een heiligenbeeld in een nis moet hebben gestaan. Een bord boven de deur verwijst ernaar. Maar er is meer. De zondaar kon hier absolutie krijgen zelfs voordat de zonde was begaan! “Degenen die voor deze afbeelding van Nuestra Señora de la Luz op hun knieën gaan, krijgen 90 dagen absolutie en 40 dagen extra als je een weesgegroetje bidt”. Waar vrijwel iedereen op de knieën gaat is in de zijbeuk van de kerk waar Broeder Pedro ligt. Terwijl hel en verdoemenis wordt gepreekt - “deelnemen aan heidense rituelen is streng verboden, het is een zware zonde!” hoor ik de beroepsgelovige fanatiek vanaf de kansel roepen - zoeken gelovigen deemoedig genezing of hulp bij de resten van de heilige Pedro. Dat het bijgeloof de kerkelijke autoriteiten behoorlijk dwars zit, blijkt verder uit een waarschuwing bij de kaarsen die naast zijn schrijn worden gebrand “HET IS VERBODEN OM NIET KATHOLIEKE KAARSEN TE BRANDEN – zie voorbeeld”. Mijn goed rooms opgevoede reisgenote en collega hebben geen idee wat “katholieke kaarsen” dan wel zijn of hoe je die zou kunnen herkennen. We doen navraag en ontdekken de verboden kaarsen. Gekleurde kaarsen waarop de “siete potencias Africanas” staan afgebeeld, de zeven Afrikaanse krachten zoals Shango de Yoruba god van Donder en Bliksem, die in Nigeria heel hedendaags tot het beeldmerk van NEPA, de nationale elektriciteitsmaatschappij werd verheven. Zijn beeld staat voor het kantoor van NEPA op Lagos Eiland. De mij beloofde krukken, kunstbenen en poppen – zoals ik die ken uit Salvador de Bahia in Brazilië - hangen er helaas niet. Weggehaald als zijnde niet katholiek? wordt vervolgd |