|
DAGBOEK GUATEMALA - deel 6 (08062007) Zondag, 20 mei 2007. Met een lichte spierpijn in de kuiten als aandenken aan het beklimmen van de piramiden en tempels van Tik’al, wandel ik met een Braziliaanse professor en zijn zoon door de straten van het Isla de Flores. De prof aan de universiteit van Florianopolis is gespecialiseerd in “Eu profundo” oftewel “mijn diepste roerselen”. Niet echt een onderwerp dat me uit mijn slaap houdt. Desondanks is het een buitengewoon opgewekte en aardige man die een relatie met zijn zoon heeft waarop ik erg jaloers ben. Het eiland was zo’n beetje het laatste Maya bolwerk in Guatemala dat door de Spanjaarden werd veroverd. Het is een wandeling in steeds kleinere wordende cirkels, alsof je je naar het hart van een ui beweegt. Uit de kerken klinkt ouderwets zondagmorgen gezang, de rest van de bevolking slaapt uit. Behalve Miguel, een oude man die vroeger “chiclero” was, tapper van de gom van de chicle, totdat die industrie ten onder ging. De chicleboom was in betere tijden hofleverancier van natuurlijke grondstoffen voor de kauwgomindustrie. Duizenden kilometers van huis heb ik opeens door waar de merknaam “Chiclets” vandaan komt en waarom “chicle” het Spaanse woord voor “kauwgom” is. Miguel biedt ons voor een veel te hoge prijs een rondvaart aan over het Petén Itzámeer en een bezoek aan een museum waarvan hij niet precies weet wat er te zien is. “Alle buitenlandse toeristen zijn er helemaal weg van” verzekert hij ons. We zeggen erover na te zullen denken, waarna de prijs aanmerkelijk zakt. Doch niet genoeg. De voorgevel van een aantal oudere huizen wordt opgesierd door de Victoriaanse schelp, maar verder stelt de architectuur van het eiland niets voor. Op een bord voor restaurant “El Tucan” staat dat er Nederlands wordt gesproken. Dat wil ik wel eens horen. De eigenaar is een Guatemalteek die in Nederland heeft gewoond en een dochter heeft die in Nijmegen is geboren en daar nog steeds woont. In mijn geboortestad! Wat zou statistisch de kans zijn op een dergelijke ontmoeting in een Guatemalteekse provincie die net zo groot is Nederland en niet meer dan 350 duizend inwoners telt? De man is echter aan het vissen op het meer. De rest van de “bezienswaardigheden” zijn de Picasso’s op de buitenmuur van een pizzeria, de verkiezingsposters met symbolen waar een kruis door heen staat – kennelijk is nog een flink deel van de bevolking analfabeet – en bij het verlaten van het dorp een man die schaafijs verkoopt en daarvoor een fraaie machine heeft ontwikkeld die me aan een wijnpers doet denken. “Granizado” heet dat hier, “frio frio” in de Dominicaanse Republiek, “piragua” in Puerto Rico, “raspado” in Panama, “schaafijs” op de Rotterdamse Kruiskade. Dinsdag, 22 mei 2007. Het kamermeisje heeft een in Maya kledij gestoken minipoppetje op het kussen van mijn hotelbed achtergelaten. Een “muñeca quitapenas”, een poppetje dat je zorgen laat verdwijnen. Het werk als volgt: voor het slapen gaan, vertel je het poppetje op fluistertoon wat je dwars zit of waar je bang voor bent, al de dingen die een rustige slaap in de weg zouden kunnen staan. Daarna leg je de “quitapenas” onder het kussen en sluit de ogen. De volgende ochtend word je geheel zorgenvrij wakker. Zo wil het verhaal althans. Beter dan de beste slaappil. De kleurige poppetjes zijn overal voor een relatieve habbekrats te koop. Baat het niet, schaden doet het zeker niet. Woensdag, 23 mei 2007. Tijdens de door een collega, opgeleid aan Jezuïetenscholen, aangeboden stadsrondrit worden eerst een aantal door vermogende Guatemalteken gebouwde kerken aangedaan. De rode kerk met het uiterlijk van een suikertaart van de familie Yurrita kende ik al, maar die sobere grijze kerk van de brouwersfamilie Castillo Córdova nog niet. Die ligt aan de buitenkant van de stad, vrijwel tegenover de brouwerij van het populaire Gallo bier. De kerk is een uiting van dankbaarheid of wellicht een monetaire offerande van de goed katholieke oprichters, de broers Mariano en Rafael, aan hun Schepper die hen zo overdadig met zakelijk succes had gezegend. Hun borstbeelden staan in het parkje ervoor. Aan de voet van die beelden een gedenksteen waarop een bloemrijke ophemelende tekst van hun dankbare nazaten staat. De kerk toont zonder enige twijfel aan dat er stevig wordt ingenomen in Guatemala. Terwijl ik wat foto’s maak, komt er een druk gesticulerende geüniformeerde aanlopen, die gebaart dat er niet mag worden gefotografeerd. Bizar, wat is er dan wel zo speciaal aan die kerk? Valse schaamte wellicht? Bovendien is dit de openbare weg. Hij biedt zijn verontschuldigingen aan voor het ongemak en zegt: “ik heb expres langzaam gelopen, zodat u toch even de gelegenheid had om wat foto’s te schieten. Maar het is streng verboden.” Waarom weet hij niet. Ruzie maken met mensen die bewapend zijn, hij heeft een geweer, verlies je meestal en is dus de moeite niet waard. De straatnamen in de stad leveren, wat mij betreft, het bewijs dat Guatemalteken fantasieloze mensen zijn. Net zoals Pinochet Chili in genummerde regio´s indeelde, is Guatemala Stad ingedeeld in genummerde zones. Binnen die zones zijn de meeste straten eveneens genummerd, maar dan wel met dezelfde nummers. Als de onschuldige bezoeker niet weet in welke zone hij moet zijn, wordt het ietwat ingewikkeld om de weg te vragen en/of te vinden. Wij rijden de Zevende Avenue af, richting centrum. Bij de verkeerslichten van de Plaza de España staan met vlaggen zwaaiende aanhangers van de Partido Patriota. Ik krijg een spontane “A-H Erlebnis”, want in Rio de Janeiro deden ze dat ook tijdens de verkiezingscampagnes. Globalisering kent duidelijk geen grenzen. wordt vervolgd |