DAGBOEK GUATEMALA - deel 5 (05062007)

Zondag, 20 mei 2007. Toen Rigoberta Menchú in 1992, op 33 jarige leeftijd, de Nobel voor de Vrede in ontvangst nam, had ze al een veelbewogen leven achter de rug. Wat haar tijdens de eerste 23 jaar van haar leven was overkomen, vertelde ze in januari 1982 in Parijs aan de Venezolaanse antropologe en schrijfster Elisabeth Burgos. Deze ex-echtgenote van de voormalige Franse beroepsrevolutionair Régis Debray “tekende” het verhaal op met behulp van haar bandrecorder en bewerkte het vrijwel onmiddellijk daarna tot het boek “Ik heet Rigoberta Menchú” dat in 1983 werd gepubliceerd. Dat boek lig ik midden in het land van de Maya’s, afgeschermd van de werkelijkheid van het dagelijkse leven van de gemiddelde Guatemalteek, aan de rand van het zwembad van mijn hotel te lezen. Ietwat ongepast, want het is een buitengewoon tragisch verhaal. Over onderdrukking van de Maya’s, moord en doodslag, landroof, verkrachting, marteling, slavenarbeid op plantages, burgeroorlog, dictatuur, een terreurbewind door de blanke bovenlaag, het stelselmatig vernietigen van een eeuwenoude cultuur, tienduizenden mensen die spoorloos verdwenen, haar vader, moeder en een broer die het leven lieten. Nog maar kort geleden, eind 1996, werd de vrede getekend in dit door een lange burgeroorlog geteisterde land. Wat in Guatemala is gebeurd, is voor mijn gevoel vele malen erger dan de vuile oorlog in Argentinië, waaraan in het Westen veel meer aandacht werd en wordt besteed. De democratie is pril, er wordt wat lacherig gereageerd op de kandidatuur voor het presidentschap van de inmiddels bijna 50 jarige Menchú. Volgens de opiniepeilingen kan ze slechts op 2 tot 3% van de stemmen rekenen, niet echt een serieuze kandidaat dus. Op de foto’s die ik van haar zie, staat ze steevast afgebeeld in de kleurige traditionele Maya kleding die bestaat uit een lange omslagrok, een blouse en een schouderdoek. Net traditioneel Afrikaans gaat er door me heen.

Er is een hardnekkige tegenstroming onder aanvoering van de antropoloog David Stoll, die beweert dat flinke delen het levensverhaal zijn gelogen of tenminste zwaar zijn overtrokken of episoden uit het leven van anderen betreft en dat de Nobelprijs daarom nooit aan Menchú had mogen worden toegekend. Een week later zal ik in de stad Antigua een boekhandelaar ontmoeten die het daar van harte mee eens is. “Allemaal gelogen” reageert hij opgewekt nadat ik in mijn onschuld bekend heb het boek een week eerder te hebben gelezen. “Dislexia” heet zijn winkel, een naam met een dubbele betekenis? Menchú is dus in de politiek gegaan en is naar het schijnt een gemankeerde zakenvrouw. Ze bezat de franchise voor Guatemala van de Mexicaanse keten Farmacias Similares, die ook bekend staat als Dr. Simi, waar generische geneesmiddelen worden verkocht tegen aanmerkelijk lagere prijzen dan het equivalent met een merknaam. De reclameslagzin is “Lo mismo pero más barato – hetzelfde, maar stukken goedkoper”. Ook dit mislukte avontuur wordt omringd door vele controverses en bevordert haar geloofwaardigheid niet echt. Achteraf bezien zou het beter geweest als ik na het lezen van het boek mijn nieuwsgierigheid had kunnen te bedwingen en niet op zoek was gegaan naar aanvullende informatie op het internet. Informatie die het verhaal van Rigoberta Mengú in een heel andere context plaatst en er afbreuk aan doet en me een enigszins bittere nasmaak geeft.

Op het Isla de Flores is geen ruimte meer om nog wat bij te bouwen, het eiland is stampvol. Alleen de lucht in kan nog. Het lijkt er bovendien op dat in vrijwel ieder huis of gebouw een bedrijfje is gevestigd: hotels, bars, restaurants, winkels, kantoren, kerkgenootschappen. Uiteraard staat de katholieke kerk op het hoogste punt en steekt hautain boven alles uit. Voor de kerk is een plein waarop een door de dankbare nabestaanden van Carlos Francisco Diaz Ozaeta aan de gemeenschap geschonken muziektent is gebouwd. De omvang van de erfenis is zo te zien boven verwachting geweest. Verder staan er een paar estelas met hiërogliefen. Hoewel hier op hun plaats, het eiland werd oorspronkelijk door de Maya¨s bewoond, vallen ze zeer uit de toon. Een borstbeeld onder een afdakje tegen de zon en regen en achter tralies, de tekst aan de voet is half weggekalkt en daardoor onleesbaar. Het enige kleurrijke op het plein is de bloeiende flamboyant met zijn prachtige rode bloemen. Net om de hoek worden, eveneens heel kleurrijk, rond koffietijd in het openbaar drugs verhandeld. De jongen die op de uitkijk staat, geeft een teken aan de dealer dat ik een ongevaarlijke toerist ben, waarna de handel onverstoord doorgaat. Flores is erg populair bij de rugzaktoeristen en het stikt er van goedkope hostels waar gezellig gerookt en gesnoven wordt. Het eiland is dan ook geen eiland meer, het is door een dam met het vaste land verbonden. Bij de toegang tot het stadje is een imitatie stadspoort gebouwd dankzij een financiële bijdrage van de brouwers van het Gallo bier. Hun beeldmerk, de gestileerde kop van een haan – gallo = haan – staat er trots en zeer zichtnaar op. De rode tuc tucs – taxi’s - zoals die in India rijden, zo’n overdekte driewiel bromfiets met achterbak, rijden af en aan. Desgevraagd wordt mij verteld dat het er goede zaken worden gedaan, maar dat zo’n ding wel een flinke investering vereist. Even droom ik weg naar Nigeria, naar Lagos, waar de militaire gouverneur Kolonel Mohammed Marwa in de jaren 90 van de vorige eeuw diezelfde gemotoriseerde fietstaxi introduceerde om het openbaar vervoer aan te vullen. Dat ding heette in de volksmond gelijk “Keke Marwa” oftewel “Marwa’s fiets”. Oh zoete herinnering aan zonnige tijden! Wat me ook aan vroeger herinnert, is het geluid van ouderwetse schrijfmachines dat onderweg uit minstens twee huizen opklinkt. Die dingen bestaan dus nog, moest eerlijk gezegd heel lang nadenken voordat ik dit vaag bekende geluid kon thuis brengen.

wordt vervolgd