|
DAGBOEK GUATEMALA - deel 4 (31052007) Zaterdag, 19 mei 2007. Na uren ronddolen door de bossen van het Nationale Park van Tik’al worden we door José, de gids, eindelijk tot het heilige der heiligen toegelaten. Het voormalige stadscentrum, de Plaza, de Grand Place, de Grote Markt. De met gras begroeide open ruimte heeft veel weg van een grote speelweide, maar wel een heel speciale. Hier en daar staan wat bomen, aan de uiteinden twee hoge massieve tempels die worden bekroond door een soort hanenkam. Tempels #1 en #2. De Tempel van de Grote Jaguar en de Tempel van de Maan, die beide rond 700 na Christus werden gebouwd. Recht voor ons, keurig in het gelid, een rij van negen estela’s, met ronde offerstenen ervoor. Wat eenzaam daar weer voor ligt een moderne Maya offersteen, volgens het bord ernaast “Ministerieel goedgekeurd - nummer 525/2002”. Erachter klimmen de gebouwen trapsgewijs tegen de heuvel op: Acropolis Noord, een gestapeld gebouwd complex van oudere datum, dat als heilig terrein werd beschouwd. Necropolis zou waarschijnlijk een betere benaming zijn voor deze plaats waar gedurende vijf eeuwen voor onze jaartelling de leidinggevenden van deze Maya stadsstaat werden begraven. De Maya’s hadden de gewoonte om nieuwe bouwwerken over wat er al stond heen te bouwen, slopen was kennelijk uit den boze. Op een paar plekken zijn godenmaskers te bewonderen die oorspronkelijk de buitenmuur van een tempel moeten hebben gesierd, maar naderhand in een kelderachtige ruimte terecht zijn gekomen toen de volgende tempel er bovenop werd gezet. Letterlijk en figuurlijk een indrukwekkend gezicht. Als we ons omdraaien zien we Acropolis Zuid, waar werd gewoond. In een hoek tussen deze woonwijk en de Tempel van de Grote Jaguar staan de resten van een “stadion” waar de Maya’s “pitz” hun fameuze balspel speelden. Hierover heeft de gids niets te melden, alsof het om een stofje op een kledingstuk gaat. Toch was het een belangrijk onderdeel van de Maya cultuur. De luidruchtige oosterburen heb ik weten te ontlopen, maar in plaats daarvan heb ik mezelf opgezadeld met de luiste gids van Guatemala. Het balspel zou al in 1.600 voor Christus in zwang zijn geweest. Het was erg populair bij zowel de Azteken, de noorderburen, als bij de Maya’s. Het werd gespeeld met een solide rubberen bal met een doorsnede van tussen de 20 en 30 centimeter, die een variabel gewicht tot 3 kilo zou hebben gehad. Twee teams van tussen de twee en vijf man stonden tegen over elkaar in het strijdperk. Het was een spel met een sterk religieus karakter, dat de strijd tussen goed en kwaad symboliseerde. De “stadions” - iedere stad van enige omvang had er een of meerdere - zouden als het voorportaal van de onderwereld zijn beschouwd en lagen daarom meestal in de buurt van een tempel. Verliezers zouden soms zijn geofferd in een religieuze ceremonie na afloop. Schedels van verliezers zouden vaak als kern voor nieuwe bal zijn gebruikt. De bal zou een hemellichaam representeren en ga zo maar door. Giswerk, want er is niemand die het naadje van de kous weet en de Maya hiërogliefen onthullen het mysterie ook niet. Sommige afbeeldingen, zoals twee priesters met een dolk in de hand die een verliezer prepareren voor een mensenoffer, wijzen sterk in die richting, meer niet. De Plaza is in het begin wat overweldigend. Eerst kom ik ogen tekort en weet niet zo goed waar te beginnen. Acropolis Noord dan maar. Waar, voor mijn gevoel, behalve twee enorme maskers in het keldergewelf verder weinig van belang is te bewonderen. Dit is het oudste deel van de stad Tik’al dat al in 600 voor Christus zou zijn bewoond. Honderden jaren voordat de Batavieren de Rijn afzakten en ons land bereikten, rond de tijd dat het Romeinse Rijk ontstond. Wat meer dan al het andere lokt, zijn de hoge tempels met aan de voorkant een trap die bijna tot beklimmen dwingt. De Grote Jaguar is verboden gebied, de Tempel van de Maan niet. Ik zoek het moment uit dat er weinig mensen via de houten trap aan de zijkant naar boven gaan. Terwijl ik in strak tempo naar boven ga, tel ik de treden tussen de platforms hardop voor me uit. De hitte van rond het middaguur deert absoluut niet, dit is high worden zonder ook maar iets te snuiven, te slikken of te spuiten, ik moet koste wat het kost zo vlug mogelijk naar boven. Als een Maya priester overzie ik vervolgens hoe het er beneden toe gaat. Aan alle kanten als werkmieren ploeterende toeristen. Zou het er toen de stad werd bewoond net zo druk zijn geweest? Het moest haast wel gezien de geschatte inwoner aantallen. De tempel aan de overkant, die soeverein en stoïcijns de boel in de gaten houdt, maakt de meeste indruk op me. Een grote grijze massa stenen met trappen die tot in de hemel lijken te reiken. Hoe hebben de Mayas’s die niet eens over het wiel beschikten dit voor elkaar gekregen? Pure wilskracht, slavenarbeid? Hoewel ik een aanzwellend “Kuifje in de Zonnetempel” gevoel krijg, worden mijn vragen niet beantwoord. Net als na mijn bezoek aan het Paaseiland, heb ik aan het eind van de wandeling door Tik’al meer vragen dan antwoorden. Wat een verschrikkelijke lul van een gids. Zondag, 20 mei 2007. Flores, dat door de Maya’s het “Grote Eiland” werd genoemd, is een klein tuteilandje. Een soort Urk. Ik kan dat met eigen ogen vaststellen vanaf het terras van hotel Petén Espléndido aan de overkant van het water. Een redelijk hotel waar een vijfsterrenprijs moet worden betaald voor een driesterrenkamer. Ik kan het weten, want de veel grotere en veel luxere kamer van mijn hotel in Guatemala City is een heel stuk goedkoper. In plaats van aan het eind van het zaterdagse bezoek aan Tik’al naar de hoofdstad terug te vliegen, ben ik blijven hangen met het stellige voornemen om het levensverhaal van Rigoberta Menchú te gaan lezen. wordt vervolgd |