DAGBOEK GUATEMALA - deel 2 (26052007)

Zaterdag, 19 mei 2007.De Guatemalteekse toeristenmachine loopt gesmeerd. Na een vlucht van een dik half uur staat op het vliegveld van Flores het ontvangstcomité keurig opgelijnd. De bus in en na een poosje wachten, vertrekken we naar het 60 kilometer verderop gelegen nationale park Tik’al. Gelukkig had ik van tevoren de tactische keuze voor een Spaanstalige gids gemaakt, waardoor een achttal veel te luid converserende Duitsers kunnen worden vermeden. Behalve in de bus dan. El Petén is ongeveer net zo groot als Nederland, maar heeft slechts 350 duizend inwoners, een verademing. Het zijn de lage landen van Guatemala, omdat het laagste punt een meter of 70 is. De stad Guatemala ligt ruim 1.500 meter boven de zeespiegel. We rijden over een provinciale weg door het platteland. Grote meren, groen overheerst. Een totaal contrast met de streek rondom de hoofdstad, waar vulkaantoppen tegen de horizon afsteken en het verkeer lawaaierig is en stinkt. Landbouw en veeteelt. Platgebrande akkers, volgens de gids een Maya traditie. Drenkplaatsen voor het er schamel bijlopende vee, maïs, bananenbomen, papaja’s, rode flamboyant bomen, eenvoudige huisjes van hout of beton, de was die aan de oever van het meer wordt gedaan, hutten met daken van palmbladeren, erg veel evangelische kerken.

Of de omgeving inspireert niet of mijn voorstellingsvermogen schiet ernstig tekort. Wat onderweg is te zien, biedt geen enkel aanknopingspunt met het trotse verleden van dit gebied. De droge feiten die door de gids worden opgelepeld prikkelen de fantasie evenmin. Mijn droom om kennis te maken met een verloren beschaving, begint op een verstoorde droom te lijken. Een langdurige stop bij een winkel waar voor veel te veel geld toeristische niemendalletjes worden verkocht in ruil voor gratis koffie en gratis toiletbezoek betekent nog langer wachten op de zo gewenste confrontatie met het Maya verleden. De toegangspoort van het nationale park waarin Tik’al ligt, ziet er niet uit. Wat lelijk! Een slordige imitatie van de hoekige “Maya boog”, de perfecte ronde boog hebben ze nooit onder de knie gekregen. Nog 17 kilometer naar het bezoekerscentrum meldt de gids. De afstand tussen Nijmegen, mijn geboortestad, en Arnhem, waar mijn ouders vervolgens gingen wonen. Van de Waalbrug naar de Rijnbrug, van Coehoornstraat 39 naar Roekenstraat 51. Naar Monnikenhuizen, naar hoogte 80. Je kon er bij helder weer tot aan Keulen kijken. De zweefvliegtuigen van Terlet kwamen er terecht bij gebrek aan thermiek, ik vliegerde daar en zoefde in de winter met een sleetje naar beneden. Daar beneden waar het stadion van de voetbalclub Vitesse lag en links uit de flank - onderaan de Dr. Schaepmanlaan - de Ds. Talmaschool, mijn lagere school in de wijk de Geitenkamp. Volgens mij zat ik daar in de klas bij de schrijver Koos van Zomeren die in die wijk woonde en in hetzelfde jaar en dezelfde maand als ik is geboren. De schoolfoto die ik heb, lijkt precies op de zijne die ik eens op de achterflap van een van zijn boeken zag afgebeeld. Waarom herinnert het noemen van die “17 kilometer” me zo ver van het vaderland opeens aan al die dingen?

Om het bereiken van het uiteindelijke reisdoel – de tempels en de piramiden - zo lang mogelijk uit te stellen, stoppen we eindeloos bij het bezoekerscentrum, waarin een rare witte maquette zoiets als een voorproefje moet zijn van wat er allemaal gaat komen. Daarna kan de wandeling richting bezienswaardigheden eindelijk beginnen, want met uitzondering van de benenwagen is iedere andere vorm van transport verboden. Eerste stop een grote vijver waarin gevaarlijke krokodillen zouden huizen. Oorspronkelijk een waterreservoir dat ontstond nadat er op deze plek bouwmaterialen waren uitgegraven. Beekjes en regenwater werden hier naartoe geleid om de bevolking van water te voorzien. Op het hoogtepunt zou Tik’al tussen de 100 en 150 duizend inwoners hebben gehad! Volgende stop de kauwgomballenboom, ja die bestaat echt! De chico zapote of “chiclé” - het Spaanse woord voor kauwgum - waaruit een harsachtige vloeistof kan worden getapt zoals rubber uit een rubberboom. Natuurlijke grondstoffen voor de kauwgomindustrie totdat die door een goedkopere synthetische grondstof werden vervangen. Niet dat de Maya’s kauwgom kauwden, die gebruikten de hars als bindmiddel in de bouw. Volgende boom de ceiba, een ware woudreus die tot zeventig meter hoog kan worden, brede kroon, lange kale stam, uitwaaierende brede onderkant. Voor de Maya’s was de boom heilig, de as waar de aarde omheen draaide.

Na een stiefkwartiertje lopen arriveren we op een open plek waar zowaar een kleine piramide is te zien en een heiligdom en estelas met offerstenen ervoor. De piramide is half uitgegraven en vrijwel geheel gerestaureerd, dat is te zien aan de opvallend scherp uitgezaagde stenen. Niet al te hoog die piramide. Een meter of dertig? Een beetje een afknapper dit “Complex Q”. Gecodificeerd, zoals alles wat te zien is een code heeft. José, de gids, dreunt geroutineerd de wetenswaardigheden en feiten op. Het zegt me weinig. Hij goochelt met het getal negen. Negen dit, negen dat. Alles komt op negen of een veelvoud van negen uit. Weinig origineel, veeleer bedacht om de bezoeker aan het lijntje te houden. Ik voel me een toeristisch lulletje rozenwater, maar houd de moed erin. Wat niet is kan nog komen. Bos en bospaden. Apen hoog in de bomen, mieren op de grond. Bulten in het bos waaronder vast en zeker een tempel of piramide is verborgen die verstoppertje speelt totdat een hogere autoriteit besluit dat er mag worden opgegraven.

wordt vervolgd