ALLES INBEGREPEN - 4 (21122006)

Het toepasselijk in de Spaanse nationale kleuren rood en geel geschilderde hotel “El España” is geen adres voor verwende reizigers. Het is dan ook een “casa de huéspedes - een pension” waar, volgens het bord boven de voordeur, de potentiële gast wordt aangemoedigd om op ieder uur van de dag of nacht aan te kloppen. De eigenaar, die op de patio zit, ziet ons en wenkt om verder te komen. Volgens hem is zijn hotel zeer geliefd bij reizigers uit de hele wereld en heeft het als decor gediend voor twee films! Voor een Duitse met onbekende titel en inhoud en voor een Dominicaans televisiedrama over perico ripiao, de traditionele merengue die, zo heb ik ontdekt, verwantschap heeft met de tango: tweekwartsmaat bordeelmuziek. Het soort muziek waarvoor de beter gesitueerden hun neus ophaalden, maar die tegenwoordig vrijwel alom geliefd is. “Willen jullie de kamers zien?” Zo’n aanbod mag je nooit weigeren. De houten binnenmuren zijn met een fluorescerende groene verf bewerkt, hier en daar, voor de afwisseling, een likje rood. De verhuurde kamers zijn afgesloten met een klein hangslot. We mogen wat vrije kamers bekijken. Die meten minder dan twee bij twee meter, er staat een groot tweepersoons bed in, boven het hoofdeinde is een fan in muur geschroefd. De wastafel bestaat uit een plank met een plastic afwasteiltje erop, een fles water en een stukje gele huishoudzeep. Het wrakke toilet op de binnenplaats wordt gezellig door alle gasten gedeeld. Voor 200 Dominicaanse Pesos – ongeveer €5 - kunnen we een kamer huren. Dat is gelukkig niet nodig, we hebben al een hotel. Een “alles inbegrepen hotel” nog wel, met kamers die zo groot zijn dat de hele eerste verdieping van “El España” er zonder veel moeite in zou passen. Dat het armzalige hotel een droomdecor voor de merenguefilm moet zijn geweest, kan ik me zonder meer voorstellen, maar dat – zoals wordt beweerd – Columbus er zou hebben gelogeerd is een fabeltje voor de wel heel erg goedgelovige toerist.

Steen en been wordt er geklaagd over de gemeentelijke verordening die huiseigenaren verplicht de gevels in het beschermde stadsgebied in de oorspronkelijke staat te houden. Daardoor hebben wij juist niets te klagen, want dankzij die verordening kunnen we met volle teugen genieten van de “transoms” de bijzondere bovenlichten. De meeste huizen zouden meer dan honderd jaar oud zijn, zouden er toen al zaagmachines zijn geweest voor massaproduktie? Het lijkt er niet echt op. Daarvoor is het zaagwerk te onregelmatig, terwijl het aantal variaties oneindig lijkt te zijn. Hartjes, sterren, bloemen, rondjes, streepjes, waaiers die op wuivende pauwenstaarten lijken, sneeuwklokjes. De sierlijke decoratie die aan de dakranden hangt, heeft wel wat weg van druipende ijspegels of een valletje, zo’n kort gordijntje. De zij- en achtergevels zijn lang niet zo mooi afgewerkt. Die “uit het zicht” delen hebben veel weg van de houten huizen van La Boca in Buenos Aires. Het ziet er niet uit.

Er is nog een ander oud hotel, dat volgens eigen zeggen het oudste van Puerto Plata is, Hotel El Castilla uit 1896. Dit houten gebouw is voor de verandering rood en wit geschilderd. De ramen van de bar staan open, Amerikaanse stemmen, Amerikaanse muziek uit de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw. Amerikaanse eigenaren, zo blijkt. “Onze kamers zijn eenvoudig en zo schoon als mogelijk is in een oud houten gebouw!” adverteert de eigenaar eerlijk. Of zou hij zeikerds bij voorbaat de mond willen snoeren? Het hotel ziet er uit als een regelrechte bouwval, hoewel het in 1999 nog zou zijn gerenoveerd. De balkons hangen scheef in de gevel en maken een alles behalve betrouwbare indruk. “Zo veilig als in een oud houten gebouw mogelijk is” bedenk ik achterdochtig. Wat oud lijkt, maar het niet is, is het huisje naast Restaurant Christian. Smal, hoog, blauw en mooi houtsnijwerk in de gevel. De eigenaar staat op het balkon “wat heeft u een leuk huis” zegt mijn reisgenote flirtend. “Willen jullie het zien?” Uiteraard willen we dat. Zo maken we kennis met Christian, een Zweed, voorheen uitbater van een duur restaurant in Stockholm en sinds een paar jaar van een eenvoudige eetwinkel in Puerto Plata. Door een financieel uit de hand gelopen scheiding - “Jij weet hoe dat gaat in Europa!“ “Nou en of!” beaam ik grif - moest hij het Zweedse restaurant verkopen en is hier een nieuw leven begonnen. Het huisje is helemaal geen huisje. Beneden een buffet en een kleine keuken. In een hoek van de keuken een platformpje dat hydraulisch wordt opgedrukt naar de eerste verdieping, alwaar een leeg kantoortje met een monitor om de boel in de gaten te houden. Meer niet. Vanaf het balkon heeft hij uitzicht op de loge van de Vrijmetselaars aan de overkant en de Atlantische Oceaan. We informeren of het hebben van een restaurant nu wel zo’n goede negotie is in een stad met niets anders dan “alles inbegrepen” hotels in de buurt. Ietwat zuinigjes meldt hij best rond te kunnen komen en al die resorts net concentratiekampen te vinden “als de toerist er eenmaal inzit, blijft ie er hangen en zet geen stap meer buiten de deur”.

Tijdens onze laatste strandwandeling passeren we opnieuw dat gekke reclamebord voor Restaurant ALDI. “Hier so billig wie bei Aldi”. Op verzoek - “vraag naar Elvis” - wordt er big aan het spit bereid. Hoewel ik nog nooit in een Aldi ben geweest, weet ik dat het een zeer voordelige supermarkt is, dankzij het ontbreken van iedere vorm van opsmuk. Het verbaast dan ook niet dat Restaurant Aldi uit een zooitje primitieve bouwsels bestaat die bij de eerstvolgende tropische storm tegen de grond gaan. Druk is het er in ieder geval niet, hetgeen eigenlijk vanzelfsprekend is. Van het restaurant tot aan Puerto Plata staan er niets anders dan “alles inbegrepen hotels” langs het strand. Deze Aldi is gewoon te duur voor bijna alle voorbijgangers, die immers 24 uur per dag “gratis” kunnen eten en drinken tot ze er bij neervallen. Daar kan zelfs geen handige Dominicaanse prijsvechter tegen op.

wordt vervolgd