|
ALLES INBEGREPEN - 3 (20122006) Onderweg van de Caribische Zee naar de Atlantische Oceaan, van de Dominicaanse zuidkust naar de noordkust, van Santo Domingo naar Puerto Plata. Halverwege de rit stoppen we in Santiago de los Caballeros. Niet halverwege in kilometers – dat zijn er 205 - maar in reisduur. We bekijken er de kleine, maar mooie, antropologische collectie van het Centro León die bestaat uit objecten die een indruk proberen te geven van het leven in de Dominicaanse Republiek door de eeuwen heen. Van voor Christus en van voor Columbus tot vandaag de dag. Er wordt slechts minimale aandacht besteed aan de vier eeuwen slavernij. Een grote houten suikermolen en, verstopt achter een schutting met kleine gaten, wat maskers en met de volksreligie verbonden voorwerpen. Tot mijn grote ergernis is er veel plaats ingeruimd voor uit Spaanse schepen opgedoken huishoudelijke voorwerpen. Een nagebouwd jaren vijftig straatje krijgt extra kijktijd vanwege de belangstelling voor architectuur die mijn reisgenote en ik delen. We bewonderen de decoratieve elementen van traditionele Dominicaanse houten huizen: blinden en hekken, maar vooral de “transoms” de gefiguurzaagde bovenlichten die voor wat ventilatie moesten zorgen. In de hal van het museum staat een installatie in de vorm van een schip waarin, om voor mij totaal duistere reden, een paar van die bovenlichten zijn verwerkt. De boeg, de masten en de golven zijn onderdelen van een suikermolen, zeilen van metaal waar - smekende? - handen uitsteken, als lading een zooitje bovenlichten. Een verwijzing naar de slavernij? Door een wegomlegging rijden we paar uur later noodgedwongen door het centrum van Puerto Plata waar de “transoms” in het echt zijn te zien. Huis na huis, straat na straat. ’s Ochtends strand, ’s middags architectuur. Een paar uur ontsnappen aan de verleiding van het “alles inbegrepen” hotel waar de gast 24 uur per dag kan eten en drinken en dat soms veel te vaak doet. In het oude stadsdeel van Puerto Plata zijn ruim dertig jaar geleden zestig blokken huizen tot beschermd stadsgezicht verklaard. Dat het gebied op de kandidatenlijst van de Unesco staat om tot Werelderfgoed te worden verheven, gaat mij wat te ver. Door sloop, verval en verbouwingen is de mooie eenheid die de fleurig geschilderde houten, en af en toe stenen, huizen vroeger moeten hebben gevormd, danig verstoord. Goed onderhouden huizen vormen een uitzondering, zoals het huis van Meneer Villanueva, dat volgens zijn zeggen minstens 125 jaar oud is en sinds de bouw door zijn familie wordt bewoond. Nee, van een “transom” heeft hij nog nooit gehoord, “hier noemen we het een diseño”. Een overgrootvader speelde in 1844 een belangrijke rol bij het verjagen van de Haïtianen uit de Dominicaanse Republiek, er is zelfs een straat naar hem vernoemd. We moeten binnenkomen om het verhaal daarover te lezen. “Beschouw mijn huis voortaan als het uwe” zegt hij als we afscheid nemen. We voelen ons zeer vereerd. Ook in andere huizen worden we binnen genood of maken we een praatje met de bewoners. In een kapsalon, in gasthuis “Atlantica”, in de winkels waar overwegend illegaal in de Dominicaanse Republiek verblijvende Haïtianen een schilderijenfabriek hebben of een winkel annex groothandel in hebbedingetjes voor toeristen. Dat we beiden Frans spreken, helpt tijdens deze ontdekkingsreis. Haast allemaal zijn ze hun land ontvlucht vanwege de onveiligheid en de slechte economische situatie. Zelfs voor een Afro-Haitiaan met een beetje geld is het er gevaarlijk “laat staan voor jou” geven ze toe. Een heeft een opleiding gehad op de academie en stond een paar jaar voor de klas. Nu maakt hij impressionistische schilderijtjes die helemaal niets om het lijf hebben. Op de Plaza, het centrale plein, staat zoals te doen gebruikelijk de veel te grote katholieke kerk die boven alles uittorent. Ervoor staat een flinke katholieke kerststal die is omringd door bordkartonnen traditionele huisjes, inclusief mooie bovenlichten. Er zitten vier wat oudere mannen op krukjes bij, ieder met een attachékoffertje op schoot. We zijn in het informele financiële hart van de stad beland, althans voor hen die geld willen lenen of wisselen of een cheque in baar geld willen omzetten. Ongestoord, en zonder enige zichtbare bescherming, doen de mannen in het zicht van alles en iedereen hun zaken. Geen tralies of kogelvrij glas te bekennen en geen van hen kijkt voortdurend onrustig over de schouder of er toevallig een overvaller op zijn koffertje loert. Fantastisch dat dit nog bestaat. Zoals die wanstaltige kerk een Bourgondische uiting van het katolicisme is, straalt de Calvinische soberheid af van het houten godshuisje van de “ Alianza Cristiana y Misionera”. Om over de protserige tempel van de Vrijmetselaren maar te zwijgen. “Een Victoriaans gebouw” volgens de kenners. De Respectabele Loge 33 “Restauración” had dan ook niemand minder dan de in de stad geboren nationale held Generaal Gregorio Luperón als respectabele medemetselaar in de gelederen. Als “all inclusive” toerist loop je behoorlijk in de gaten in Puerto Plata door dat verdomde gekleurde polsbandje dat je als gast bij aankomst omkrijgt en dat tijdens het verblijf recht geeft op de geneugten van het hotel zonder dat daarvoor hoeft te worden betaald. Zo worden we aangesproken door een bewakingsbeambte die zegt ie ons langs het strand heeft zien wandelen, een barman van ons hotel in Playa Dorada, jawel de Goudkust, en een taxichauffeur die zijn diensten aanbiedt omdat hij vermoedt dat we geen Spaans spreken en geen eigen vervoer hebben. Hij zit er twee keer naast. Het was hem opgevallen dat we de oude houten huizen fotograferen en onthult ons dat “Twee straten verderop is hotel “El España”, daar heeft Columbus nog gelogeerd!” Dat Christoffel Columbus in 1493 in de buurt was is zeker, de stad werd echter pas in 1510 gesticht. wordt vervolgd |