INVITAD0 - 2 (27112006)

We – de antropologe en ik - zijn onderweg naar Haina, op korte afstand van Santo Domingo. Het is een industriestad met één van de meest vervuilde havens ter wereld. De traditionele suikerrietplantages zijn overwoekerd door smerige moderne fabrieken. Slecht wegdek met veel gaten. Het Dominicaanse woord voor stadsontwikkeling moet wat Haina betreft nog worden bedacht. Tenzij hier een nieuwe vorm van stadsplanning in de praktijk wordt gebracht waarin anarchie de belangrijkste component is. Het ontbreken van bewegwijzering speelt ons parten, we worden herhaaldelijk de verkeerde kant op gestuurd. Dat is wel een goede manier om eindelijk eens kennis te maken met het echte Haina. Soms moet ik er voor mijn werk naar toe, maar dan nemen mijn - blanke - collega’s het liefst de weg die de bebouwde kom mijdt. Ze vinden het geloof ik eng om door een stadje met de bijnaam “Klein New York” te rijden. Haina, is net als New York, een stad die nooit slaapt en heeft een beruchte wijk die “Vietnam” heet omdat er zo vaak wordt gevochten. Bovendien zijn bijna alle inwoners nazaten van Afrikaanse slaven. Ons reisdoel is de “Ingenio Diego Caballero”, de ruïne van een suikerfabriek op een plantage waar in oktober 1796 een slavenopstand uitbrak. Een opstand die de aanzet zou zijn tot de afschaffing van de slavernij en die het einde van het Spaanse koloniale bewind zou inluiden.

Een tankauto blokkeert een druk kruispunt. De chauffeur heeft via zijn zijspiegel gezien hoe een met emmer bewapende man benzine probeert te jatten. Hij raapt stenen uit de gaten in het wegdek en gaat al stenen gooiend achter de dief aan. Krijgt hem te pakken, geeft hem een pak rammel en klimt onder goedkeurend geschreeuw en applaus weer in zijn cabine. Het wegverkeer komt weer op gang. Dat we een paar keer de verkeerde kant zijn opgestuurd, is onze eigen schuld. Als je een verkeerde vraag stelt, mag je niet op een goed antwoord rekenen. De antropologe vraagt de weg naar de “ingenio” dat in hoog Spaans “suikerfabriek” betekent, maar voor de lokale, minder hoog opgeleide bevolking, gewoon een “fabriek” is. Zodoende zien we vrijwel alle fabrieken die de stad rijk is. Iets dergelijks overkwam me soms in Nigeria “wat voor boom is dat?” “It’s a tree!” Wat een domme vraag zag ik ze dan denken. “Machine” was ook zo’n voor alles bruikbaar woord. Stofzuigers, bromfietsen, motorfietsen, allemaal “machine”. We hadden naar het stadsdeel Boca de Nigua moeten vragen en naar de ruïne van de ingenio. Toch ik had de onbedoelde rondrit niet graag willen missen.

“Bij het politiebureau linksaf” rijden we een niet geasfalteerde weg op. Nog eens vragen, nog eens linksaf, volgende rechts. Een dalend pad waarin het regenwater geulen heeft gesleten. Niet echt een weg die je verwacht naar werelderfgoed, want de fabrieksruïne is genomineerd om door de Unesco tot die status te worden verheven. Het complex, dat om de tweehonderste verjaardag van de opstand te herdenken, tien jaar geleden gedeeltelijk is gerestaureerd, ligt er verlaten en onbewaakt bij. Er grazen paarden en een koe, het gras wordt zo te zien zelden tot nooit gemaaid. Het bord bij de ingang is letterlijk nietszeggend. De belettering is gejat of eraf geregend. Niets, maar dan ook helemaal niets, is er gedaan om de onwetende bezoeker tenminste enig idee te geven wat er is te zien of wat er op deze plek is gebeurd. Volgens de antropologe bestaat er op regeringsniveau weinig belangstelling voor dingen die uitsluitend met Afro Dominicanen hebben te maken. Schuin links na de ingang de fabriekshal. De restauratie is zodanig uitgevoerd, dat het gebouw op een grote half opengewerkte maquette lijkt waar je doorheen kunt lopen. Van de achterste helft zijn de muren, het dak, de vloer en de ovens gerestaureerd, de rest is gewoon ruïne. In de gewelfde kelder staat een houtoven. Erboven, op de eerste etage, zijn trog achtige uitsparingen gemetseld waarin de grote metalen schalen werden gezet om de de suiker te kristaliseren. Dat laatste veronderstel ik althans omdat er wat van die schalen naast staan. De fabriek zou op waterkracht hebben gewerkt, water dat uit de nabijgelegen Río Nigua werd gehaald. Resten van de goten die dat water zouden hebben gekanaliseerd zijn hier en daar te zien, maar waar zou het waterrad hebben gestaan? In het op een kerk lijkende gebouw aan de achterkant van het terrein of op de resten van een vage constructie vlakbij de ingang? In de kelderruimte zijn stevige ijzeren ringen in de muur bevestigd “dat was de martelkelder” meldt de antropologe droogjes. Dat er na de opstand een zwaar regime heerste, is goed gedocumenteerd. De rebellen die niet waren opgeknoopt, moesten vervolgens kettingen om de enkels en de nek dragen om ze in toom te houden. De angst moet er goed hebben ingezeten bij de blanke overheersers. Die hebben, terecht, nooit meer rustig geslapen.

In 1801 overnachtte Toussaint Louverture, de man die de Fransen uit Haïti verdreef en de eerste onafhankelijke staat in Zuid-Amerika stichtte, op de plantage. Hij zou de man die de slavenopstand had onderdrukt voor “lafbek” hebben uitgemaakt. Louverture en zijn troepen waren bezig met de rest van het eiland te veroveren om de slavernij af te schaffen. De Spaanse slavenhouders pakten hun biezen, plantages en fabrieken werden verlaten en raakten in verval. De Haïtianen zouden tot 1844 de baas blijven, het jaar waarin de Dominicanen ze naar hun “eigen” deel van Hispaniola terugdreven. De avond begint te vallen, we verlaten het stuk land dat doordrenkt moet zijn met het bloed, zweet en de tranen van een paar eeuwen slavernij. In het dorp een muurschildering die daar vaaglijk aan herinnert. Op de voorgrond een grote gebroken ketting, dansende zwarte mensen en trommels. Wij rijden verder, naar Sainaguá, naar het “Festival de Atabales – Trommelfestval”, waar drie dagen lang de Afro-Dominicaanse cultuur en het volksgeloof zullen worden gevierd.