|
DOMINICAANS DAGBOEK - 5 (18062006) Zaterdag, 6 mei 2006. “Pet af!” beveelt de bewaker in het kerkportaal op barse toon. Zonder na te denken met bedekt hoofd een godshuis binnenlopen, word je snel afgeleerd in Santo Domingo. De kathedraal van Nuestra Seńora de la Encarnación is dan ook bijzonder. De bouw begon in 1523 en daarmee is deze kathedraal de oudste van de Nieuwe Wereld. Vanzelfsprekend ligt het Cabildo - waar de aardse macht zetelde - aan hetzelfde plein. Kerk en staat waren in de middeleeuwen, en nog lang daarna, vier handen op één buik. Het paleis van de rechterlijke macht, de handig op je hand te hebben derde partner in de koloniale ménage ŕ trois, is in geen velden of wegen te bekennen. De kathedraal is in de loop der tijden herhaaldelijk “opgeknapt.” Tijdens mijn bezoek lijkt het wel of men zich op een loopgravenoorlog aan het voorbereiden is. Op het voorplein en in de patio aan de zijkant worden in de brandende zon diepe sleuven gegraven. Bij nadere beschouwing blijkt dat er riolering wordt aangelegd met een stevig formaat PVC pijp. Het gaat mijn verbeeldingskracht ietwat te boven, want in het kerkgebouw is geen enkele sanitaire voorziening. In de voorgevel zijn naast de beeldtenissen van diverse heiligen de wapens van het Spaanse Koninkrijk gehakt. Van Ferdinand en Isabella de Katholieke Koningen van Aragón en Castilië, de opdrachtgevers van Columbus. Wiens brood men hier at is overduidelijk. De nieuwe gebrandschilderde ramen vallen nogal uit de toon. Mooi van kleur, veel blauw, dat wel. Maar in een kerk met prachtig beschilderde altaren en houten beelden uit de zestiende eeuw hoort voor mijn gevoel geen moderne glazenierskunst. Een van de kapelletjes, opgedragen aan Johannes de Doper, wordt gebruikt als zomerstalling voor de kerststal. Keurig met lakens afgedekte Drie Koningen en ezels voor wie heel nauwkeurig puntige oren in de stof zijn genaaid. Een vrolijke noot in een vrome omgeving, voor hen die daar oog voor hebben althans. Naast het altaar, dat voor de ongelovige iets van een theaterpodium heeft, verwijst een onopvallend bordje naar de grafkelders beneden. Daar zouden de stoffelijke resten van Christoffel Columbus begraven zijn geweest en bij toeval honderden jaren later zijn terug gevonden. Waar of niet waar? De in mei van het jaar 1506 in Valladolid overleden ontdekker van Amerika heeft, als alle verhalen waar zijn, na zijn dood de reis van en naar de Nieuwe Wereld nog eens een paar keer gemaakt. Zondag, 7 mei 2006. In 1877 werd in de catacomben van de kathedraal een ijzeren kist met de naam “Colón” erop gevonden. In Spaanstalige landen is de naam van Columbus nu eenmaal Cristobal Colón. De verhalen over de omzwervingen van het lijk, of meer waarschijnlijk de beenderen, zaaiden en zaaien twijfel of dat wel echt zo was. Columbus overleed in Spanje, dat staat vast. Zijn schoondochter zou opdracht hebben gegeven de stoffelijke resten van hem en zijn zoon Diego naar Santo Domingo over te brengen, waar ze in 1544 werden herbegraven. Vervolgens zouden die resten in 1795, bij de overdracht van het eiland Hispanionla aan Frankrijk, naar de Spaanse kolonie Cuba zijn vervoerd. Toen Cuba aan het eind van de 19e eeuw door Spanje aan de Verenigde Staten werd doorgeschoven, zou de kist met Columbus terug naar Spanje zijn gebracht en in de kathedraal van Sevilla zijn bijgezet. Tot zover de Spaanse versie, volgens de Dominicanen heeft de kist hun eiland nooit en te nummer verlaten. Als om hun gelijk te bewijzen, hebben ze in Santo Domingo een enorm monument ter ere van Columbus gebouwd “el Faro a Colón – de Vuurtoren voor Columbus.” Het idee daarvoor werd voor het eerst in 1852 geopperd. In 1931 werd een internationale prijsvraag voor het ontwerpen van zo’n monument gewonnen door Joseph Cleave. Een onbeduidende Britse architect over wie op het internet vrijwel niets is te vinden. Lange tijd ontbrak het geld om dat ontwerp uit te voeren. Dat het uiteindelijk toch werd gebouwd, is te danken (of te wijten) aan President Balaguer en de viering van de 500ste verjaardag van de ontdekking van het Amerikaanse continent. Dat schiep verplichtingen. Het is frappant dat bijna anderhalve eeuw “werk in uitvoering” zoveel lelijkheid heeft opgeleverd. De vuurtoren is geen allerdaagse vuurtoren. Het is een gigantisch gebouw – meer dan 200 meter lang en zo’n 60 meter breed - van glijbeton in de vorm van een kruis. De kop heeft wat weg van een Mayatempel met op het dak een schotelvormige constructie voor de offerandes of, zoals hier waarschijnlijk wordt beoogd, voor het houtvuur van de klassieke vuurtoren. De architect koos voor de kruisvorm, omdat Columbus een kruis zou hebben geplant in ieder land dat hij voor Spanje in beslag nam, alsook als symbool van het Christendom dat meelifte in zijn spoor. Het kruis komt ontelbare keren terug in de gevelplaten. In het gebouw is een museum gevestigd waarvan zowel de inhoud als de buitenkant oerlelijk zijn. Woorden schieten tekort om de samengeraapte collectie, die bestaat uit giften van diverse landen voor de viering van de 500ste verjaardag van “de ontdekking” te beschrijven. Voor mij is het absolute dieptepunt de roestige Pausmobiel op het voorplein. Die werd door Johannnes Paulus II in 1992 gebruikt tijdens zijn bezoek om vijf eeuwen Christelijke beschaving in de Nieuwe Wereld te vieren. Op de plek in het gebouw waar de armen van het kruis elkaar kruisen, staat het imposante marmeren praalgraf waar de resten van Columbus zouden liggen. In een kist die is ingepakt in grijze plastic folie, type vuilniszak. Een Dominicaanse matroos zorgt ervoor dat niemand al te dicht bij kan komen, alsof om het mysterie te bewaken. DNA onderzoek om te bewijzen of hij het nu wel of niet is, wordt steevast door de Dominicaanse regering afgehouden. Ze zouden af en toe eens een oor tegen die kist moeten houden. Iemand die in zoveel lelijkheid ligt begraven, draait zich vast en zeker regelmatig om in zijn graf. wordt vervolgd |