KORT BERMUDIAANS (08062006)

De wat langere korte “Bermuda” broek is onderdeel van de nationale klederdracht van het eiland met dezelfde naam. Blazer, bermuda, witte kniekousen en bruine of zwarte loafers met zo’n lullig pluimpje. Een correct aangemeten Bermuda dient een lengte tot 3 inches boven de knie te hebben, de kniekousen de “Bermuda hose” moeten tot vlak onder de knie kunnen worden opgetrokken. Zo blijft net iets meer dan de knie vrij, zoals vroeger bij de hopman van de padvinderij. Op kantoor loopt een IT-er in een Bermuda, verassend andere werkkleding dat kort Bermudiaans. In een restaurant hangt ’s avonds een man in Bermuda aan de bar, die heeft voor de verandering donkere kniekousen aan. Avondkleding? Hij is de enige, alle anderen hebben een lange broek aan, inclusief de meeste dames. Dat je niet te veel bloot mag laten zien op het eiland had ik kunnen weten. Voor het eerst van mijn leven moet ik op het aangifteformulier voor de douane naar eer en geweten verklaren “geen obscene artikelen – bijvoorbeeld film, band, boek, foto, CD, DVD” bij me te hebben. Tot mijn opluchting kunnen zowel obscene gebaren als obscene woorden zonder probleem worden ingevoerd.

We zijn noodgedwongen in die bar beland. Net als we in Font Street, de hoofdstraat van Hamilton, uit de taxi stappen, begint het enorm te waaien en te hozen. Een mini tornado bericht de Royal Gazette, de enige krant die Bermuda rijk is, een dag later. Geen avondwandeling door het hoofdstadje van Bermuda en geen Harbour Night waarmee de toeristen op zomerse woensdagavonden bezig worden houden. Niet dat ik me daar al te veel van voorstelde. Hamilton is hooguit een uit de kluiten gewassen dorp en ik had zo het vermoeden dat de groot geadverteerde avond niet meer dan een veredelde braderie zou zijn. Hoewel. In het vliegtuig las ik een artikel over de Gombeys. Gemaskerde dansers die volgens de illustratie er bijna net zo uitzien als de gemaskerde dansers die ik lang geleden zag in Porto Novo in het West-Afrikaanse land Benin. Wie weet, zouden die wel zijn te zien. Door het slechte weer is het feest afgelast, het dorp ligt er net zo verlaten bij als de Rotterdamse Coolsingel op een willekeurige doordeweekse avond. Heel erg doods.

Een dag later schijnt de zon en is er na gedane arbeid nog net genoeg tijd om wat van Bermuda te zien. Te beginnen in St. George, de oudste nederzetting van het land. Een pittoresk dorpje waarop ik de afglopen dagen vanuit ons kantoor heb neer gekeken. Kleurrijke gebouwen, waaronder een frivool gele kerk - en elkaar afwisselende cruiseschepen. De sober grijs geverfde Sint Pieterskerk is volgens het bord op de buitenmuur, de oudste Anglicaanse kerk op het westelijk halfrond die onafgebroken in gebruik is. Sinds 1612. Tegen het einde van de 19e eeuw is een poging gedaan om een groter godshuis te bouwen, maar zoals het oude gezegde ons wil doen geloven “de mens wikt, God beschikt.” Die beschikte dat het allemaal wat te veel van het goede was, de kerk werd nooit afgebouwd. Het tot een ruďne vervallen gebouw is fantasieloos omgedoopt tot “the unfinished church” en zelfs tot nationaal monument – van onvermogen? – verheven. In onbruik geraakte forten doen het trouwens ook goed. Aan de zeekant is St. George omgeven door Fort Saint Catherine, Gates Fort, Fort Cunningham, Saint David’s Battery en de Alexandra Battery. Dat alles bewijst zonder meer de strategische waarde die de eilanden ooit voor de Britten hadden. Uiteraard ziet het er allemaal eng keurig bijgehouden uit. Aan de kade torent een cruiseschip boven alles uit, ervoor ligt op het droge een replica van een schip uit vroeger tijden. Zeker niet dat van Juan de Bermudez, naar wie het land is vernoemd, doch die “vergat” om het voor Spaanse kroon op te eisen. Vlakbij een schandpaal en een martelwipplank waarop mensen werden vastgebonden om voor straf onder water te worden gedompeld. Een klein monument herdenkt de uit Bermuda afkomstige gevallenen uit de Eerste Wereldoorlog. Saai, saai, saai. Het lukt om wakker te blijven, je weet maar nooit. Want wat niet is, kan misschien nog komen.

Op Saint David’s, het volgende eiland, rijden we langs het vliegveld. Vroeger was daar een Amerikaanse basis gevestigd, die na het einde van de Koude Oorlog werd gesloten. “Daarmee kwam ruimte vrij om huizen te bouwen, helaas verdween veel werkgelegenheid en de enige McDonald’s die het eiland rijk was” vertelt de taxichauffeur met enige weemoed. Filialen van dit soort buitenlandse snellehaprestaurants zijn namelijk niet toegestaan in Bermuda. Desondanks lopen er aardig wat mensen met overgewicht rond. Aan zee staat een vuurtoren die me vaaglijk aan onze mooie pre-Euro bankbiljetten doet denken. De vuurtoren en de dienstwoningen schitteren je tegemoet in het felle zonlicht dankzij een dikke laag witkalk en prima kwaliteit rode menie. Het “Ministry of Works” heeft enorme nummerplaten op de muren geschroefd. Om diefstal te voorkomen? Het gras er omheen is zo kort Bermudiaans geknipt, dat er bijna zeker een nagelschaartje aan te pas is gekomen. De bomen zijn perfect gesnoeid, er is geen blaadje of papiertje op de weg of het gazon te bekennen. Zouden de Bermudians hun gebouwen, huizen, tuinen en parken bij gebrek aan een andere passies zo hartstochtelijk onderhouden? Onroerend goed is schaars, dus duur. Een gemiddeld huis kost, volgens meerdere bronnen, om en nabij 1 miljoen Dollar. Zoiets vereist enige zorg, maar toch niet op een manier die de passant het beklemmende gevoel geeft door een tot leven gewekt Madurodam te rijden? Na anderhalf uur zit de martelgang door het gezapigste land dat ik ooit bezocht er op. Een land is het eigenlijk ook niet, het is meer een welvarende voorstad, een Hillegersberg of een Wassenaar in het midden van de Atlantische Oceaan. Morgen via New York terug naar huis. Een paar uur kort Amerikaans om te bekomen van al het korte Bermudiaans van de afgelopen dagen.