|
GEEN BERMUDA IN BERMUDA (03062006) Het is donker, het regent. De taxi van het vliegveld naar het hotel rijdt over slingerende weggetjes met aan beide kanten bomen en en heggen. Uit de heggen steken de naambordjes van onzichtbare huizen. Op sommige wegkruisingen staan de boven elkaar gespijkerde bordjes van de huizen die verderop liggen. Af en toe rijden we door een dorpje. De matig verlichte weg klimt en daalt. Als ik niet beter zou weten, zou ik denken dat dit het Engelse graafschap Surrey is. De volgende morgen, bij daglicht en met laag hange bewolking, wordt die indruk alleen maar sterker. Keurig en kleurig geschilderde lage huizen met stralend witte daken, perfect bijgehouden tuinen met veel te glad geschoren gazons, Anglicaans aandoende dorpskerkjes. Mijn Engelse droom wordt, zij het niet al te wreed, verstoord door palmbomen, baaien vol met pleziervaartuigen, blauwe zee en witte stranden. Ik ben echt in Bermuda, de eilandstaat midden in de Atlantische Oceaan, zo’n duizend kilometer uit de kust van de Verenigde Staten. “Stoelriemen vastmaken” wordt vanuit de cockpit gesuggereerd, hoewel er slechts schapenwolkjes zijn te zien. “We zijn hier gisteren door belabberd weer gevlogen” vervolgt de gezagvoerder onverstoorbaar. Alsof om te benadrukken dat we door de Bermuda Driehoek vliegen, speelt de hoog-in-de-luchtradio suggestief “The sun ain’t gonna shine anymore” van de Walker Brothers. Toeval? In de beruchte driehoek schijnen alleen maar schepen te verdwijnen en loopt de luchtreiziger dus vrij weinig risico. Dat is althans mijn interpretatie van de verhalen die ik heb gelezen. Onbewust zing ik luidkeels de hits uit de jaren zestig mee. De collega met wie ik op pad ben, maant me het volume lager te zetten. Best raar dat ik al die teksten na bijna veertig jaar nog steeds uit mijn hoofd ken. Van de Dominicaanse Republiek naar Bermuda reizen lijkt op de kaart uiterst eenvoudig. Niet meer dan een uur of twee vliegen ...... als er een directe luchtverbinding tussen beide landen zou bestaan. Helaas is die er niet> Het wordt Santo Domingo – Bermuda via New York met overstappen en alle homeland security poespas die daar bijhoort. Terwijl de transit passagier op vrijwel alle vliegvelden ter wereld nooit en te nimmer langs de paspoortcontrole en douane hoeft, moet je in de VS alle paspoort en veiligheidscontroles ondergaan. Ik krijg een keurig stempel in mijn paspoort nadat ik de vraag “hoe lang blijft u in de VS?” heel nauwgezet met “twee en een half uur” goed heb beantwoord. Bermuda is al bijna 400 jaar een overzees gebiedsdeel van het Verenigd Koninkrijk. “Jullie hebben de bureaucratie hier naar toe gebracht, wij hebben die verfijnd” meldde een Nigeriaanse ambtenaar mij ooit eens opgewekt nadat ik me had beklaagd. In Bermuda is het niet anders. We hebben de verplichte uitnodigingsbrief bij ons om het land in te mogen om twee dagen met onze lokale collega’s te vergaderen. Als buitenlander mag je geen auto huren of besturen. De plaatselijke bevolking mag per huishouden niet meer dan één auto bezitten en daarmee niet harder dan 35 kilometer per uur rijden. Als gevolg daarvan heerst er zo’n beetje een scooterplaag. Een taxichauffeur vertelt dat hij, als hij flink aanzet, in anderhalf uur van het ene eind van zijn vaderland, naar het andere eind kan fietsen. “Getrainde fietsers doen er een uur over” voegt hij er mokkend aan toe. De door bruggen met elkaar verbonden bewoonbare eilanden zijn zo smal, dat je nooit verder dan drie kilometer van de oceaan bent. De straten zijn superschoon, de ene helft van de zestigduizend inwoners, houdt vast en zeker de andere helft in de gaten. Je mag je huis of grond niet aan een buitenlander verkopen, alleen buitenlanders mogen aan andere buitenlanders verkopen. Alle huizen hebben hetzelfde soort verplichte geribbelde witte dak en een waterkelder. Er is een watertekort, de daken – die bovendien een verplichte minimum oppervlakte hebben - dienen om regenwater op te vangen en naar de kelder te leiden. Ieder huishouden probeert zelfvoorzienend te zijn want regelmatig water moeten kopen, kost volgens zeggen een klein fortuin. De buitenmuren van de huizen mogen zowaar wél een kleur hebben, pasteltinten voeren de boventoon. Dezelfde kleuren die in Engelse badplaatsen zo populair zijn. Vrijwel ieder huis heeft een pronte schoorsteen, het kan in de winter behoorlijk fris zijn midden in de oceaan. Om iets met het eiland te maken te hebben, moet je goed in de slappe was zitten. Bermuda is namelijk een belasting- en toeristenparadijs voor de meer dan gemiddelde medemens. Een speeltuin voor rijke Amerikanen zoals Michael Bloomberg, de burgemeester van New York, de filmacteur Michael Douglas, de schatrijke zakenman Ross Perrot of Silvio Berlusconi en voorheen Ian Fleming – de man die James Bond creëerde. Michael Douglas is trouwens mede-eigenaar van het hotel waar ik logeer. Foto’s van hem hangen op de muren van de receptie en in de bar, de kamerhuur wordt gelukkig door mijn werkgever betaald. Voor mijn plezier zou ik trouwens nooit in dit hotel gaan logeren alwaar de gast geacht wordt zich “gepast” te kleden en “dat hoewel voor de heren een colbert en stropdas geen vereiste zijn, spijkerbroeken, t-shirts en gympen beslist ongewenst zijn.” Dit soort gastvrijheid kost vervolgens een modaal weekloon per nacht. Toegegeven, er zijn heel wat gasten die zichtbaar van dit soort uiterlijke schijnvertoon genieten. Ik rsvp de uitnodiging voor de wekelijkse party van de general manager. Ik loop de hele dag op mijn werk in een kantooruniform en wil ’s avonds graag iets anders aan. Een T-shirt en Bermuda shorts bijvoorbeeld. Maar in de bar van mijn hotel in Bermuda is de Bermuda helaas verboden. wordt vervolgd |