|
DOMINICAANS DAGBOEK - 3 (14052006) Donderdag, 27 april 2006. In mijn eentje in een restaurant gaan eten, is iets waar ik een gruwelijke hekel aan heb. Niet zo handig voor iemand die noodgedwongen regelmatig in een hotel woont. Soms dwing ik mijzelf om het toch te doen, maar wel met een krant, tijdschrift of boek als disgenoot. Een collega heeft me ervan overtuigd dat het een goed idee is om een lichte hap in de sportbar “Champioms” van mijn hotel te gaan eten. “Te gek” volgens hem. Ik had beter moeten weten, want smaken verschillen. Tegen het plafond van het restaurant hangen een stuk of dertig geluidloze beeldschermen waarop een veelheid van sportevenementen is te zien. De voetbalwedtrijden spreken gelukkig voor zichzelf, hoewel ik moet bekennen het overdreven opgewonden latijnse commentaar af en toe te missen. Om alles goed te kunnen bekijken zitten de gasten in het halfdonker, van lezen komt derhalve niets. De decoratie wordt gevormd door foto’s van sporthelden, bekers en gesigneerde kledingstukken. De biertap doet het niet. Pijpjes bier hebben immers een veel hogere winstmnarge bedenk ik cynisch. Het restaurant doet zijn naam eer aan, maar niet heus. Het is kampioen slechte en ongeïnteresseerde bediening. Na zowat een half uur mag ik zowaar de door mij gekozen speciale hamburger bestellen, terwijl er nauwelijks andere klanten zijn. Die burger wordt bereid alsof ik de inspecteur van de Michelingids zou zijn die komt beoordelen of het restaurant een of meerdere sterren waardig zou kunnen zijn. Het wachten duurt de eerste helft van de voetbalwedstrijd River Plate - Corinthians. Het uiteindelijke resultaat dat me wordt voorgeschoteld, is een soort whopper – mijn favoriete burger - van allerdaagse kwaliteit, meer niet. Het opmaken van de rekening - twee biertjes, een burger – lijkt een nog grotere uitdaging te zijn. Als ik op het punt sta zonder te betalen weg te lopen, wordt die hijgend op de tafel gelegd. Aldus wordt ik tot wekenlang roomservice veroordeeld, want dit was eens en de komende weken beslist niet nog eens. Vrijdag, 28 april 2006. “Como tú tá? – Hoe gaat het met je?” vraagt de taxichauffeur vriendelijk. Een nieuw land betekent een nieuwe linguïstische uitdaging en dat terwijl er zowel in Argentinië als in de Dominicaanse Republiek Spaans wordt gespoken. De Dominicaanse uitspraak van het Spaans is echter anders, mijn oren zijn druk bezig zich opnieuw af te stemmen. De “ll” en de “y” van bijvoorbeeld calle - straat en mayo - mei klinken hier als een “j” en niet als een “sj.” Ook de zangerige Italiaanse uitspraak van de Argentijnen en de daarbij behorende gebaren ontbreken. Af en toe zie ik aan het vraagteken op het gezicht van miijn gesprekspartners dat ik een woord gebruik dat ze hier niet kennen en omgekeerd. Een appartement is een apartemento en geen departemento, een parkeerplaats een parqueo in plaats van een cochera, een warmwaterboiler een calentador en geen termotanque. Een ventilador is plotseling een abanico. Een pompelmoes verandert van een pomelo in een toronja, een bord in een café helpt me uit de droom. Om een plastic tasje te bemachtigen moet je om een funda vragen en nooit om een bolsa. De krant is niet langer een diario doch een periódico, een verkeersdrempel verandert van een lomo de burro in een policía acostado – de Engelse sleeping policeman. Veel woorden worden half ingeslikt en sommige letters aan het einde van een woord worden niet uitgesproken. Het is niet alleen het taalgebruik dat anders is. Hier geen tango maar merengue en bachata wat de klok slaat. Voor de liefhebbers van nieuwe muziek is er reggeatón, de protestmuziek van vandaag de dag. Daddy Yankee, Luny Tunes, Don Omar en Hector el Bambino. Te gekke videoclips met prachtige donkere meiden. Heel even opzwepend en vervolgens lekker lang aangenaam eentonig. Voor mij een nieuw genre dat zowel in de Dominicaanse Republiek als in Puerto Rico ongekend populair is, in Argentinië echter nauwelijks. In het centrum van Santo Domingo zijn de straten breed en licht met bomen en bloemen in plaats van de rijen aaneengesloten hoge gebouwen die de smalle straten van Buenos Aires vaak een wat somber aanzien geven. Gelukkig geen stinkende bussen of duizenden taxi’s, geen door het huisvuil wroetende cartoneros of de straatprotesten aan de lopende band van ontevreden piqueteros. Geen bijna uitsluitend blanke bevolking, ook wat dat betreft zijn de straten van Santo Domingo een stuk fleuriger. Wat beide steden wel gemeen hebben is dat gekleurde medemensen in Buenos Aires volgens zeggen meestal Bolivianen zijn, of ze het zijn of niet, en in Santo Domingo de bedelaars en veel straatverkopers volgens zeggen Haitianen zijn, of ze het zijn of niet. In Santo Domingo geen President die alles en iedereen die even uit de pas loopt met zijn politiek in het openbaar luidruchtig verkettert. Helaas ook geen confiterias waar je urenlang met een kop koffie aan tafel kunt zitten en uitgebreid de krant lezen. Als je koffie drinkt, is dat zonder het glas water dat er in Buenos Aires steevast bij wordt geserveerd. In Santo Domingo staan op bakfietsen gemonteerde fruitstalletjes in de straten en verkopers van telefoonkaarten op drukke kruispunten in plaats van de karretjes met panchos, koffie of pinda’s zoals in Buenos Aires. Ook geen elegante gebouwen die aan Parijs of Madrid doen denken of een dure winkelstraat zoals Florída die altijd is gevuld met mensen, schoenpoetsers, geldwisselaars, mannen en vrouwen die hun geld verdienen met klanten een winkel of restaurant binnen te kletsen en straatartiesten. Nee, de oudste stad van het Amerikaanse continent, in 1496 gesticht door de broer van Christoffel Columbus, die door het Domicaanse toeristenbureau wordt opgehemeld als zijnde het Athene van de Nieuwe Wereld, is eigenlijk toch wel een heel erg saaie stad in vergelijking met Buenos Aires. wordt vervolgd |