DOMINICAANS DAGBOEK - 1 (01052006)

Zondag, 23 april 2006. Christoffel Columbus zag het eiland Quisqueya – moeder van alle landen – op 5 december 1492 vanaf zijn schip aan de horizon verschijnen. Dat het eiland al een naam had interesseerde hem niet. Als “ontdekker” doopte hij het La Española – Klein Spanje – Hispaniola en confisqueerde het voor de Spaanse Kroon, zijn werkgever. Meer dan vijf eeuwen later zie ik het eiland vanuit een comfortabele vliegtuigstoel in beeld verschijnen. Is het Haïti of zou het de Dominicaanse Republiek al zijn? Dat er op het eiland, ongeveer twee keer zo groot als Nederland, twee onafhankelijke staten zijn gevestigd, is te danken aan een overeenkomst uit 1697 waarbij Spanje het westelijke deel aan Frankrijk afstond. Vanuit de lucht is er geen verschil te zien, de werkelijkheid op de grond is een andere. Haïti is een van de armste landen ter wereld waar een vredesmacht van de VN de orde handhaaft. Het Dominicaanse deel is een stuk welvarender en een populaire toeristenbestemming.

“De enige betalingen die u verplicht bent te doen, zijn de wettelijk verschuldigde“ staat er op een onopvallend bord boven de bagageband van het vliegveld van Santo Domingo. Zodoende weet een door de wol geverfde reiziger dat er hier mogelijkerwijs functionarissen werken die op slinkse wijze hun magere salaris wat willen opkrikken. De douanier vraagt hoe lang ik van plan ben in het land te blijven om na mijn antwoord van “een paar weken” te reageren met “dan heeft u zeker veel geld bij zich?” Ik moet hem teleur stellen. Op het vliegveld van Lagos werd in het verleden, en misschien nog wel, vervolgens gevraagd om het geld te laten zien. Als je dat deed, profiteerde de geüniformeerde van de gelegenheid om een biljet in te pikken, om daarna de meestal licht verbijsterde reiziger de rest goedmoedig te laten houden. Deze ambtenaar houdt niet al te lang aan en wenst me een prettig verblijf in de Dominicaanse Republiek toe. Na een lange nacht in een koud vliegtuig voelt de klamme tropische warmte lekker aan. Vetrouwd zelfs. Net zoals toen ik bijna 20 jaar geleden voor het eerst in Afrika uit het vliegtuig stapte.

Maandag, 24 april 2006. In het hotel is het “hoe vroeger op de morgen, hoe schoner het volk” in plaats van daar tot ’s avonds op te moeten wachten. In de ontbijtzaal loop ik Miss Venezuela tegen het lijf. Figuurlijk gesproken dan. Ze heeft samen met Miss Peru een sapje gehaald. Zouden ze net als ik vers geperst jugo de chinola - passievruchtensap drinken? Miss United States wenst me vriendelijk goede morgen. Zou ze denken dat ik wellicht in de jury zit of hoort dit gewoon bij het beroep van schoonheidskoningin? De nationaliteit van de dames is af te lezen aan de sjerp die ze onder alle omstandigheden in het openbaar om hebben. Miss España defileert, lopen is het beslist niet, en zit zodanig aan tafel dat het pronte Latijnse profiel van haar lichaam zo goed mogelijk uitkomt. De meiden nemen deel aan de Miss Bandeira Internacional – Miss Vlag verkiezing. Miss Venezuela heeft geen schijn van kans, wat een lelijke spillebenen heeft die meid, ze lijkt me een anorexia slachtoffer. Miss Jamaica heeft een heel wat betere kans of Miss Haïti. Beiden hebben Afrikaanse voorouders en de bijbehorende mooie huidskleur die nog immer mijn voorkeur geniet. Wat een aangenaam begin van de eerste werkdag in mijn nieuwe tijdelijke standplaats!

Vroeg in de avond vlieg ik door naar Puerto Rico, het volgende eiland. “Wat is er mis gegaan?” wil de man van de paspoortcontrole gespeeld verontwaardigd weten als ik hem antwoord slechts één dag in zijn land te zijn geweest. “Morgenavond ben ik terug en dan blijf ik langer!” Een brede glimlach is mijn beloning. De immigratie ambtenaar op het vliegveld van San Juan, de Puertoricaanse hoofdstad, is een stuk norser. “Are you an American citizen?” roept hij uit de verte. Bij gebrek aan Amerikaanse staatsburgers bekijkt hij het “visa waiver” formulier en de collectie stempels in mijn paspoort. Hoe lang ik blijf, wat ik kom doen, wat mijn beroep is, vingerafdrukken, foto. Ik onderga het gelaten, dit is voor de Verenigde Staten waarschijnlijk de buitenste verdedigingslinie in de “oorlog tegen het terrorisme.” Weet hij veel dat ik geen uur langer dan hoogst noodzakelijk in de VS wil blijven, maar dat kan je beter niet spontaan melden. Dan loop je de kans te worden geareesteerd, geloof ik. De dwarse Zuidafrikaanse collega met wie ik reis, is dat tenminste niet zo lang geleden overkomen toen hij ongevraagd zijn mening over de controlemethodes kenbaar maakte.

Dinsdag, 25 april 2006. Puerto Rico werd in 1898, aan het eind van de Spaans - Amerikaanse oorlog, ingepikt door de Verenigde Staten nadat de Spanjaarden er zo’n 400 jaar heer en meester waren geweest. Er wordt meer Spaans dan Engels gesproken. De redactionele pagina’s van de ochtenkrant bezigen Engels, de advertenties zijn overwegend in het Spaans, de verkeersborden zijn tweetalig. De gevels in het koloniale centrum van San Juan zijn Spaans, net zoals de resten van de forten en de stadsmuren. Het opleidingsschip van de Spaanse marine dat in de haven ligt, is een notendopje naast de enorme cruiseschepen die hoog boven alles uitsteken. Enorme drijvende pretpaleizen met hotelaccomodatie. Het is een va et vient van belang, de drie schepen die er gisteravond lagen, zijn vroeg in de ochtend vertrokken. Tegen lunchtijd liggen er drie nieuwe. Mijn ter zake kundige collega meldt dat de scheepseigenaren ‘s nachts grof geld verdiene. Het eten aan boord is gratis, het casino en de alcoholische versnaperingen niet. Het casino gaat open zodra het schip van wal steekt en er wordt stevig gegokt. Het hotelcasino is ook de hele nacht open. Er staan rijen fruitmachines waar grijze dametjes hun pensioen aan het verspelen zijn. Het gaat de hele nacht door. Als wij gaan ontbijten, verlaten de laatste bezoekers het casino om te gaan slapen.

wordt vervolgd