|
TANGOFESTIVAL - 2006 - deel 1 (03032006) Vrijdag, 24 februari 2006 – Bosques de Palermo – Selección Nacional de Tango. De temperatuur in Buenos Aires is In minder dan een etmaal gedaald van een flink stuk boven de 30 tot een flink stuk onder de 20 graden Celsius. Het regent pijpenstelen, de “sudestada” waait. Dat is een sterke zuidoosten wind die het water van de Río de la Plata hoog opstuwt. De pont naar Uruguay haalt de overkant niet en zet de passagiers, na bijna een hele dag op het water, weer af op de kade in de stad die ze juist de rug hadden willen toekeren. Dank zij mobiele telefoongesprekken met het thuisfront vernemen de kijkers van het tv-journaal dat bijna alle 900 passagiers behoorlijk zeeziek zijn geweest. Uiteraard waren de toiletten verstopt geraakt en was er uitbundig over de nek gegaan. In plaats van een ontspannen minicruise over de 50 kilometer brede rivier, was het zoiets als een hellevaart geweest. Het openingsconcert van het 8ste Festival Buenos Aires Tango, in een park van het stadsdeel Palermo, wordt vanwege het slechte weer afgelast. Jammer, maar niet echt een ramp. Een eerder dit jaar gevormd orkest van de allerbeste oude rotten in het vak dat heel mooi “Selección Nacional de Tango” heet, hoeft geen griepje of longontsteking te riskeren. De woorden “selección” of “selección nacional” zijn normaal gereserveerd voor het Argentijnse voetbalelftal, maar passen ook goed bij deze groep oude meesters die de andere nationale passie vertegenwoordigen: de tango! Een aantal gerenommeerde forensische experts, zo meldt hetzelfde tv-nieuws, heeft ruim 70 jaar na zijn dood zowaar “definitief” de oorspronkelijke nationaliteit van de legendarische tangozanger Carlos Gardel vastgesteld. Uruguay en Argentinië ruziën al tientallen jaren over dit voor de rest van de wereld ietwat triviale onderwerp. Collega’s uit Uruguay beklaagden zich wel eens bij mij dat de Argentijnen hen zelfs dit niet eens gunnen. Maar ja, het borstbeeldje van Gardel in Montevideo weegt nauwelijks op tegen een heel stadsdeel waar zijn geest zichtbaar rondwaart. In Abasto heet een station van de ondergrondse “Carlos Gardel”, is in het huis dat hij daar voor zijn moeder kocht een klein museum te zijner nagedachtenis gevestigd en zijn de gevels van een straat beschilderd met zijn beeltenis en teksten van liedjes zoals “Mi Buenos Aires Querida.” De drogist op de ene hoek heet “Perfumería Carlos Gardel” en het tangorestaurant op de andere hoek heet “La Esquina de Carlos Gardel.” Bovendien is het graf van Gardel op de begraafplaats van Chacarita een regelrecht bedevaartsoord voor fans uit de hele wereld. De experts hebben “ontdekt” dat Gardel in Toulouse werd geboren en de Franse nationaliteit bezat. In Frankrijk wisten ze dat al jaren, de kopieën van alle officiële documenten zijn gewoon op het internet te vinden. Weer een probleem de wereld uit en zonder muziek toch een leuke tango avond. Zaterdagavond, 25 februari 2006 – El Dorrego – Aureliano Tango Club, Adrián Iaies en Raúl Barboza. De grote evenementenhal “El Dorrego” heeft zo’n dak waarvan er in Europa de laatste tijd gemiddeld een per week onder een sneeuwlast bezwijkt. In Buenos Aires sneeuwt het gelukkig nooit en kan er in een dergelijke hal zorgeloos van tangomuziek worden genoten. Hoewel. Op het podium staan musici die bezig zijn zich tot de tango te bekeren, maar nog niet echt afscheid hebben kunnen nemen van hun oude stiel. Aureliano Tango Club heeft de bezetting van een jazztrio: bas, piano, slagwerk. Na drie nummers mag een bandonéon meedoen, waardoor er een tangosausje over de muziek wordt gegoten. Titels zoals “Romance del Barrio” en “Milonga Sentimental” zijn beslist tangotitels, doch het overtuigt niet. Zelfs niet als er een paar traditionele, door Aureliano voor zijn trio gearrangeerde, tango’s worden gespeeld, blijft het jazzy. De oversteek naar de tango zal nog wel enige tijd gaan vergen. Neem toch een voorbeeld aan Bajofondo Tangoclub. Vorig jaar stond het publiek – en ik - op de openingsavond in deze hal als een gek te hiphoppen op hun elektronische tango. Die voormalige rock ‘n rollers hadden hun oude veren allemaal afgeschud, in tegenstelling tot Aureliano en zijn kompanen die nog maar net met de rui begonnen. Zal ik naar huis gaan of blijven voor het tweede optreden dat over een uur begint? Helaas is onze harde festivalkern vanavond gereduceerd tot slechts één persoon, ik dus, en was het optreden van Aureliano Tango Club alles behalve een uitnodiging tot meer. Het Tangofestival heeft mij de afgelopen jaren echter een uitstekende gelegenheid geboden om kennis te maken met andere en nieuwe vormen van tango. Toch maar doorbijten. Een uur later speelt de pianist Adrián Iaies zijn eerste noten, alweer een musicus die aan het oversteken is van de jazz naar de tango. Iaies is een stuk dichterbij de overkant waar de tango lonkt dan Aureliano, maar nog niet helemaal. Zijn versies van “la Cumparsita” de meest gespeelde tango aller tijden, of “el Choclo” herinneren vaaglijk aan beide populaire tangomelodieën, doch hebben een dusdanig zwaar jazzaccent gekregen, dat het nieuwe composities lijken. Technisch is het zeker perfect, daar ligt het niet aan. Zo’n eenzame in zichzelf gekeerde man achter een piano is niet echt tanguero. Na drie lang uitgekauwde nummers kondigt de spreekstalmeester aan dat de accordeonist Raúl Barboza “de legende van de chamamé” samen met Iaies tango’s gaat spelen. Accordeon en piano is een gedurfde en tegelijkertijd wat twijfelachtige combinatie. Chamamé is buitengewoon populaire folkloristische muziek en dat is te merken aan het publiek. Als Barboza eindelijk met zijn trio een paar eigen nummers mag spelen en de gelegenheid krijgt om uit het tangokeurslijf te stappen, komen de fans tot leven. Die zijn vanavond helemaal niet voor de tango gekomen, die zijn hier voor de chamamé. Men danst en deint en klapt bij de opgewekte ritmische muziek. Drie nummers slechts en dan is het weer net Pim Jacobs en Harry Mooten met een kater van heb ik jou daar. Een ietwat teleurstellende avond gevuld met jazz en chamamé en nauwelijks met vage bijna tango’s. Zondagavond, 26 februari 2006 – El Dorrego – Orquesta Tipíca OTRA en Néstor Marconi Trio. Tangoliefhebbers leven tijdens het festival in Tangoluilekkerland. Iedere avond drie tot vijf optredens in zalen waarvan sommige in stadsdelen liggen waar ik zelden tot nooit kom. Dat levert de aantrekkelijk combinatie op van zowel de tango als de stad verkennen. Het festival wordt door de Stadsregering van Buenos Aires gesubsidieerd en de toegang voor alle optredens is gratis! Het aanbod is zeer gevarieerd, van traditionele tot de nieuwste tangomuziek. Ik probeer om zoveel mogelijk naar artiesten en orkesten te gaan die ik nog niet ken of nog niet eerder heb zien optreden. Dat vereist was logistieke behendigheid omdat de kaartjes pas op de dag van het optreden aan de zaal kunnen worden afgehaald waarbij de regel “wie het eerst komt, het eerst maalt” geldt. Alleen voor de concerten in de openlucht of in “El Dorrego” zijn geen kaartjes nodig, daar is ruimte zat. Vanavond ga ik uit louter chauvinisme overwegingen naar “El Dorrego.” Daar treedt het Orquesta Tipíca van het Rotterdams Conservatorium op, een orkest uit mijn “otra ciudad preferida” de andere stad die mij na aan het hart ligt. Bij de kleedkamer hangt de weduwe van Osvaldo Pugliese rond. Tijdens zijn leven had Pugliese de muzikale leiding van de in Europa unieke Rotterdamse tango opleiding. Dat weerspiegelt zich in de nationaliteiten van de orkestleden. Naast Nederlanders een Fin, Duitsers, Spanjaarden, Belgen, een Colombiaan en misschien nog wel meer. Die Finse bandoneonspeler trad in december nog op met het sextet van Carel Kraayenhof tijdens de herdenking van de 100ste geboortedag van Pugliese. Tegenwoordig is de Argentijnse pianist Gustavo Beytelmann als artistiek leider aan het de opleiding verbonden. Beytelmann is een zwaar op de hand pianist, wiens tangorecitals ik absoluut niet verdraag. Het 15 of 16 musici sterke orkest speelt tango´s van Pugliese uit de hoogtijdagen van de “orquestas tipícas” die door het publiek enthousiast worden onthaald. Er staat niemand voor het orkest, er spelen een paar docenten mee die met hoofdknikjes en met blikken het ensemble op het rechte spoor houden. Om mij heen wordt veel Nederlands gesproken, vrienden en familieleden van de orkestleden vermoed ik. Als een cameraman wat te lang bij de van Ibiza afkomstige blonde celliste in de buurt blijft hangen, wordt er gemopperd dat “cameralieden altijd op blonde vrouwen vallen.” Ze ziet er inderdaad aantrekkelijk uit, maar het blonde haar is met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geverfd. “Somos pocos, pero somos Argentinos - we zijn met weinig, maar zijn tenminste Argentijnen” met deze buitengewoon oncollegiale woorden opent de bandoneonist Néstor Marconi het tweede deel van de avond. Al doende trapt hij de hele Rotterdamse delegatie op het hart. Men zou hem de goede Rotterdamse uitdrukking “niet lullen, maar poetsen” eens moeten influisteren. Marconi is een begaafde vakman die dit soort opmerkingen helemaal niet nodig heeft. Zijn zoon, pianist, weet trouwens ook van wanten. Hij krijgt hij van zijn vader volop de gelegenheid om het mooie lange intro van Adiós Nonino te spelen, waarna pa zelf de bandoneón op indrukwekkende wijze laat gillen, schreeuwen en huilen. Zo moet Piazzolla, die dit nummer componeerde nadat hem was verteld dat zijn vader was overleden, het hebben bedoeld. Als de Koninklijke familie eind maart in Buenos Aires op bezoek komt, dan zouden ze Marconi moeten uitnodigen om deze versie voor hen te komen spelen. Die paar traantjes die Kraayenhof in 2002 in de Nieuwe Kerk los maakte, zouden onmiddellijk in het vergeetboek raken door de huilbui die Marconi zou veroorzaken. Door die lullige woorden aan het begin is het nu toch een beetje klootzakkentango. Maandagavond, 27 februari 2006 – Paseo la Plaza - Sala Pablo Neruda – Nicolás Guerschberg en Pablo Mainetti. Drie avonden achter elkaar wereldpremières van speciaal door veelbelovende jonge musici voor het Festival gecomponeerde muziek. Met zijn rug naar het publiek speelt de pianist Nicolás Guerschberg twee solo’s. Schaamt hij zich over zijn spel, zijn composities? Is hij wellicht verlegen? Hij speelt wel veel aan de linkerkant van het toetsenbord, de donkere tonen. Hoewel hij af en toe met de rechterhand in de klankkast van de vleugel op de snaren tokkelt, een leuke vondst, bekruipt mij de vrees het verkeerde optreden te hebben gekozen. Weer net zo’n in zichzelf gekeerde pianist als zaterdag? Tot mijn opluchting mogen zijn makkers van het orkest “La Camorra” de volgende nummers meespelen. Piano, gitaar, contrabas, viool en bandoneón klinken een stuk beter dan die lange pianosolo’s. Opnieuw het gebruik van het “hele instrument” ritmisch tikken op de klankkasten, met de nagels ritselen over de toetsen van de bandoneón, klepperen met de muziekstandaard van de vleugel. Mooie langzame melodieuze, af en toe sterk aan Piazzolla herinnerende, composities compenseren die droeve solo´s en brengen me in de juiste stemming voor “la obra” de in opdracht gemaakte compositie. “Miniaturas Tanguísticas” bestaat uit zes delen. Tussen intro, interlude en het slot worden drie tangovariaties gespeeld: tango, milonga en wals. De bezetting wordt uitgebreid met strijkers – violen, cello – en met een basklarinet, een instrument dat je zelden tot nooit in een tango omgeving hoort. Maar is het eigenlijk wel tangomuziek? Het is gedragen, klassiek aandoende muziek die, wat mij betreft, weinig met tango heeft te maken. De componerende jonge musici zijn een jaar lang begeleid door Gustavo Beytelsmann. Hij heeft hen aangemoedigd om nieuwe wegen te bewandelen, om te experimenteren, buiten de gebaande paden te treden. Zo te horen heeft hij al doende er een paar in zijn eigen muzikale straatje laten verdwalen, met alle kwalijke gevolgen van dien. Het makkelijk te beïnvloeden slachtoffer van vanavond is de bandoneonist Pablo Mainetti, die met de “hulp” van Beytelmann op een desastreus dwaalspoor is terecht gekomen. Zijn naamloze compositie voor Bandoneón en Kamerorkest is inderdaad experimenteel, zeer monotoon en zeer saai. Terwijl de bandoneón zoweel mogelijkheden heeft, speelt hij tien minuten of misschien wel een kwartier lang in dezelfde sombere toonsoort. Ik krijg de indruk dat Manetti zelf ook niet erg gelukkig is. Hij zit nerveus op zijn stoel, met zijn gezicht in zijn handen als hij even niet aan de beurt is en trekt verontschuldigende bekken. Dit moet je nooit meer doen Pablo, speel gewoon de muziek die je ligt, in plaats van te experimenteren met dit soort jammerlijke tango's. wordt vervolgd |