Met Louis Damen ben ik al zo'n dertig jaar bevriend. Voor zijn werk reisde hij van west naar oost en omgekeerd, maar nog nooit van noord naar zuid. En dat terwijl hij al sinds de lagere school er van droomt om Vuurland te bezoeken en Patagonië. Een paar maanden geleden was het eindelijk zover en gingen we samen op stap. Om de spanning erin te houden eerst naar Salta in het noorden van Argentinië en pas daarna naar Vuurland. Bijgaand het tweede (en laatste) deel van Louis' reisimpressies.

OUDE VRIENDSCHAP ROEST NIET . 2 (18012006) - gastbijdrage van Louis Damen

We brengen twee wandelende en bussende dagen door in Buenos Aires en bezoeken onder andere het stadsdeel La Boca. Daar proeven we de sfeer van de tango en …….. van de tourist trap. Mooie vrouwen met diep uitgesneden jurken dansen voor ons. We bewonderen ze vanaf het dakterras van de Fundación PROA, een klein privé museum voor moderne kunst. Een decolleté van bovenaf gezien is een mooie manier om tegen de tango aan te kijken.

Aan alle rust komt een eind. Na dit korte intermezzo vliegen we reeds vroeg in de ochtend samen met onze nieuwe reisgenoten Veronique en Wiepke naar El Calafate in Patagonië. Zonder vertraging of problemen komen we aan in dit zuidelijke oord. Bijna de eindbestemming van mijn persoonlijke missie: Vuurland! Nog steeds weet ik niet goed waarom Patagonie en met name Vuurland zo’n aantrekkingskracht op mij hebben. Ik was amper 12 of 13 jaar oud, en leefde meestentijds onder het toeziend oog van de broeders van de katholieke school in Schiedam, toen er op de Nederlandse televisie een documentaire werd uitgezonden over de oorspronkelijke bewoners van Vuurland. De boodschap van die uitzending stoorde me enorm. Er werd in verteld dat die indianen na de komst van missionarissen en andere Europeanen besmet waren geraakt met allerlei virussen die tot dan aan toe ter plekke niet voorkwamen. Ook de alcohol droeg bij aan het verdwijnen van deze mensen. Ik ergerde me geweldige aan deze inmenging in een zo op zichzelf staande cultuur. De indianen van Tierra del Fuego doorstonden de vrieskou zonder noemenswaardige bescherming en waren bestand tegen het klimaat. De komst van de wereldverbeteraars bracht ook hier niets dan ellende. Vuurland heeft mij daarna nooit meer los gelaten. Ik wilde er ooit in mijn leven naar toe reizen en stelde mij soms voor hoe het er daar uit zou zien. Ik was op zoek naar iets zonder precies onder woorden te kunnen brengen waarom. Een jongensdroom die me nooit heeft los gelaten.

Maar goed ik zette mijn eerste schreden in Patagonie via El Calafate, niet ver van de grens met Chili. Bij aankomst merkten we gelijk een stuk zuidelijker te zijn. De temperatuur was rond 12 graden, even wennen na de 36 graden van BA. El Calafate was onze uitvalsbasis voor een tocht naar de Perito Moreno gletsjer. Een bustocht langs het Lago Argentino moet ons daar uiteindelijk brengen. Op de tegenover gelegen oever nemen we een boot richting gletsjer, die vanaf het water eerst nog een klein hoopje ijs lijkt. Naarmate we dichterbij komen, wordt het echter steeds indrukwekkender. Wat je ziet is een wand van 60 a 70 m hoog, het einde van een ijsmassa die voortdurend in beweging is. Elke dag schuift de gletsjer twee meter verder. Dat zie je niet, je hoort het des te meer. Aan de rand van de gletsjer maken we ons op voor een voettocht over het ijs onder leiding van een paar gidsen. De ondergebonden sneeuwijzers bewijzen goede diensten. Het ijs is spiegelglad en messcherp. De handschoenen die we verstrekt kregen, zijn beslist niet overbodig. De wondere wereld waarin we terecht komen, kan je alleen maar zelf ervaren. Het blauw van de fotoboeken is in werkelijkheid echt zo blauw doordat het licht op een merkwaardige manier wordt gebroken. We komen dankzij de gidsen veilig aan op de mysterieuze plek waar het ijs ouder is dan de whisky. We drinken op de goede afloop een Famous Grousje, mijn doordeweekse whisky.

Die nacht slapen we als blokken, rozen zijn aan ons niet besteed. Later op de dag reizen we door naar Ushuaia, de zuidelijkste stad van de wereld en voor mij een mijlpaal. De landing op het vliegveld, dat midden in het Beagle Kanaal ligt, is spectaculair. Volgens zeggen krijgen de piloten een speciale opleiding om deze landing te maken omdat ze niet over Chileens grondgebied mogen vliegen. Ik geloof daar niets van. De schending van het Chileense luchtruim lijkt mij een minor problem, maar het zal wel. Je landt op een kunstmatig eiland voor de kust, de uiteinden van de landingsbaan raken het water zowat. Voor het eerst zie ik waarover ik tot nu alleen maar heb gedroomd! Een watergebied bezaaid met groene eilanden. Het groen loopt door in het water. Ik heb het gevoel te hebben gevonden waar ik al lang naar zocht. Ik ben onder de indruk te merken dat in ieder geval een deel van mijn imaginaire landschap ook echt bestaat.

In de vroege avond verkennen we Ushuaia een beetje om meteen al tot de ontdekking te komen dat het erg toeristisch is en je beter buiten het stadje kunt vertoeven. Dat doen we de volgende dag als we via de oude spoorbaan van de gevangenis met de “Tren del Fin del Mundo” door het landschap rijden dat vroeger het werkterrein was van de gevangenen. Grijze boomstronken getuigen van de houtkap die daar plaatsvond. Eigenlijk een beetje naargeestig. Het zal wel moeilijk zijn geweest om te ontsnappen en te overleven in een gebied dat wordt omringd door hoge bergen en water. We kijken uit op een berg die door de afspraken over de verdeling van het land tussen Argentinië en Chili door een, overigens onzichtbare, rechte grenslijn wordt doorsneden. Later als we naar het “echte” fin del mundo rijden, zien we een militaire post die moet voorkomen dat Chilenen de grens oversteken. Een kans van een op tienduizend lijkt me. Per bus keren we terug naar Ushuaia en J. en ik besluiten de jonggeliefden hun eigen weg te laten gaan terwijl wij een degelijk bezoek brengen aan de voormalige gevangenis. En passant laten we in het boek “In Patagonie” van Bruce Chatwin in het museum dat ook alweer van het “Fin del Mundo” heet een “einde van de wereld” stempel zetten. Het is guur. Aan het einde van de bewoonde wereld laat het voorjaar nog op zich wachten. In ons pension, dat in handen is van een psychotherapeute uit Buenos Aires, vinden we warmte in een gezellige zitkamer waar we de laatste uurtjes van de dag lezend en theedrinkend doorbrengen. We eten ‘s avonds chiquerig en genieten van het uitzicht over het Beagle Kanaal. Morgen gaan we onderweg naar onze laatste Patagonische stop.

Puerto Madryn, een paar uur vliegen ten noorden van Ushuaia, ligt aan de landzijde van het Valdés schiereiland. Hier moeten we minstens walvissen zien en zeehonden en pinguïns. Dat is allemaal gelukt. Na een bustocht om op het schiereiland te komen, gaan we aan boord van een op een trailer wachtende boot. Het duurt zeker twee uur voor we het sein krijgen dat we de zee in mogen. Om de walvissen niet te verstoren, mag er per keer maar een schip in de buurt van de dieren komen. We hebben geluk, er zijn betrekkelijk dicht onder de kust walvissen gesignaleerd. Na een kwartiertje varen zien we plotseling de enorme ruggen van een moeder met kind uit het water steken. Zij dobberen wat rond en duiken weer even onder om op een geheel onverwachte plek na een paar minuten weer op te duiken. Af en toe met een heuse fontein van uitgeblazen lucht. De toeschouwers aan boord van allerlei nationaliteiten maken die middag minstens een paar duizend foto’s. De dag is na deze excursie nog lang niet afgelopen. We moeten door naar een zeeleeuwenkolonie. Op een strand dat bestaat uit een enorme laag fossiele zeebodem liggen de dieren te slapen. Ze houden in deze tijd hun ramadan. Gedurende twee maanden bewegen zij nauwelijks en eten niets. Hun huid schuren zij af zodat zij er fluffie uitzien. Behalve af en toe wat omdraai beweging doen ze helemaal niets. We houden het voor gezien maar er is nog meer. Een pinguïnkolonie die vanachter een hek kan worden bekeken. Een mooi gezicht die dieren in hun eigen omgeving. Ze laten zich door ons niet verstoren en gaan gewoon hun gangetje. Nog zit de dag er niet op we zijn nog ver van huis. Het landschap blijft onveranderd duinachtig zandland met lage taaie struiken. De weg bestaat wederom uit grind en keien. Vrijwel iedereen dommelt weg.

Op de laatste dag huren we met ons vieren een auto om op eigen houtje een zeeleeuwen kolonie in een ander reservaat te bekijken. Deze dames en heren zijn aanzienlijk levendiger. De mannen met hun lange manen moeten niet alleen de hele dag hun dames in toom houden, maar ook de opdringerige manpubers afschrikken. Niks voor mij. In de vroege avond keren we terug naar Buenos Aires. We komen laat aan, voor de terminal vinden een honderden meters lange rij van mensen die op een taxi staan te wachten. We besluiten de bus te proberen. Een passerende taxi neemt ons vrolijk mee en we rijden de nog steeds zeer lange rij wachtenden opgelucht voorbij. Tien minuten later zijn we thuis. We drinken nog een gezellig glas en nog een glas en nog een en praten met open geslagen balkondeuren de nacht in. Nog anderhalve dag en dan moet ik terug naar winterend Nederland. Beladen met wat souvenirs neem ik weemoedig afscheid van vriend Jacques. Ik vind het zelfs wat moeilijk om op te stappen, hoewel ik het thuisfront ook wel weer eens wil zien. De reis heeft een zekere verbroedering teweeg gebracht.

Hoewel ik Patagonië mijn Graal nog niet helemaal heb gevonden, ben ik toch een eind gekomen. Jan Eikelboom, oud leraar van mij aan de Academie voor Beeldende Kunsten, schreef ooit “Wie wat vindt, heeft niet goed gezocht.”

>p>Hans Keller schreef bij de Nederlandse vertaling van Bruce Chatwin’s “In Patagonie”:

"De reis voert niet alleen naar een exotisch oord, dat vanuit de verte en in gedachten de contouren van een weer op drift geraakt Atlantis, mits behoedzaam genaderd ook bij verrassing te betreden - de tocht wordt binnenwaarts voortgezet, zodra het visioen met de horizon blijkt te wijken. In die zin is “In Patagoné” zo’n voorbeeldig reisverhaal, een nieuwe Parsifalversie die zich even ver in de wereld als in de verbeelding uitstrekt, een briljante reconstructie van het oude Queste verhaal - die verwoede poging om het doel van het verlangen te bereiken.”

En zo is het!

PS. Ik ben inmiddels begonnen met het maken van plannen om samen met Jacques de hele Ruta 40 te gaan rijden. Van noord naar zuid of andersom, net wat het weer ons ingeeft. Ruim vierduizend kilometer over grind en stof met de Andes aan je flanken.

slot