PAASEILAND - 3 (13112005)

Zaterdag, 22 okober 2005. “Iorama - Welkom” heet mijn hotel. Na in Santiago de Chile een week in een grote comfortabele kamer met alle denkbare gemakken te hebben gelogeerd, voel ik me niet echt 100% welkom in één van de duurdere hotels van het Paaseiland. Hoewel de kamer bijna net zo duur is, ontbreekt iedere vorm van comfort. Geen radio, geen televisie, geen internetaansluiting, geen airconditioning, geen koelkastje. Het valt me mee dat er een bed in staat en dat ik er mijn kont in kan keren, hoewel dat laatste maar net lukt. Het hotel heeft bovendien een ietwat Pinocheteske opvatting over gastvrijheid. Het is verplicht de kamersleutel bij de receptie in te leveren als men het terrein van het hotel verlaat. Onder het mom van ongediertebestrijding mag er in de kamer geen voedsel “van welke soort dan ook” worden gegeten of bewaard. Er mogen geen kledingstukken worden gewassen of te drogen worden gehangen omdat het hotel vindt dat deze dienst tegen een schappelijke prijs wordt aangeboden. Dat wil zeggen dat de prijs van een nieuw overhemd ongeveer hetzelfde is als in dit hotel een overhemd drie keer wassen en strijken. De minibar, die niet eens in mijn kamer staat, mag niet worden gebruikt om zelf meegebrachte dranken of eetwaren in te bewaren “die zullen onmiddellijk worden verwijderd.” Het valt me een beetje tegen dat er geen strafmaat voor elk type overtreding bij staat vermeld. De door Isabel Allende zo opgehemelde Chileense gastvrijheid, laat op het Paaseiland duidelijk veel te wensen over.

’s Avonds in het restaurant krijg ik een levensgrote teleurstelling voorgeschoteld. Met een Spartaanse kloostercel als kamer valt nog wel te leven. Dat, zo dacht ik, wordt vast en zeker goed gemaakt door de kwaliteit van het eten. Niet dus. De dame van de bediening bevestigt dat de “vis van de dag” op het menu “Tonijn van het Paaseiland” is. Het gerecht waarop ik had gerekend. De stevig geprijsde witte wijn is ondrinkbaar, het uitzicht over de blauwe Stille Oceaan en de ondergaande zon compenseren dat gelukkig ruimschoots. Het water is zowaar wel drinkbaar. Dan wordt de vis opgediend. Het zijn twee door de kok deskundig verziekte moten tonijn in plaats van een malse tonijnsteak. De helft verdwijnt noodgedwongen naar de afvalton. Dat vermoed ik althans.

Zondag, 23 okober 2005. Het idee dat ik gisteren een exclusieve tip van mijn gids had gekregen, wordt bij aankomst in de kerk onmiddellijk gelogenstraft. Zo te zien hebben zowat alle toeristen op het eiland van hun al even luie gids dezelfde speciale tip gekregen. Het kleine kerkje zit en staat stampvol, de Rapa Nui zitten, de toeristen staan met camera in de aanslag. De priester preekt in het Spaans over de gisteren in Rome heilig verklaarde Chileense Jezuïet Alberto Hurtado. Dat alle aanwezigen in zijn voetsporen mogen treden en dezelfde onbaatzuchtige Christelijke naastenliefde mogen betrachten. “Dat is dus niet het soort liefde van de liedjes van de radio of de liefde uit een telenovela” wordt er om misverstanden te voorkomen bij gezegd. En dan wordt er gezongen in de landstaal. Erg slepend. De enige woorden die ik er uit kan pikken zijn universeel “Maria, Jezus, Hosanna, Halleluja.” De begeleiding door een accordeon en trommels zorgt ervoor dat het precies op de cajunmuziek uit het zuiden van de VS lijkt. Wel intrigerend overigens. Er staan mooie houten beelden in de kerk en overal hangen foto’s van Padre Hurtado. De grote afknapper komt als de kerkklok tien uur slaat. Klokkenluiden in de galmgaten is er niet meer bij in Hanga Roa, het zijn elektronisch klokken en een luidspreker die dit werk helaas hebben overgenomen.

Door alle toeristen naar de mis te lokken, hebben de gidsen hun vee alvast bijeen gedreven en hoeven ze niet alle hotels langs om iedereen op te halen. Met een man of twintig in een busje geperst gaan we op pad. We zijn niet de enigen. Er rijdt een kleine karavaan van zes of zeven busjes achter elkaar aan en de hele dag komen we elkaar bij iedere bezienswaardigheid opnieuw tegen. Rijp en groen en allemaal met wat poen. Volgens “Zuid Amerika op een koopje” (South America on a shoestring) is het Paaseiland een vrijwel onbetaalbare bestemming voor de reiziger met een smalle beurs, iets dat ik uit eigen ervaring volmondig kan beamen. Uiteraard zitten er net in mijn excursiebusje een paar zeikerige Duitsers. Als we even buiten Hanga Roa langs een veldje met wat moai rijden en niet stoppen, windt de man zich hoorbaar op. Volgens zijn zeer betrouwbare Duitse informatie zijn het erg belangrijke moai “de chauffeur rijdt gewoon door en de gids zegt daar niets van!” Als we uitstappen doet een Colombiaan navraag. De verklaring is even eenvoudig als redelijk, het zijn betonnen namaak moai. Hierna houdt de Duitser zich voor de rest van de dag redelijk koest. De eerste ahu voor vandaag is Ahu Hanga Te’e waar alle beelden er nog net zo bijliggen als toen ze een paar honderd jaar geleden werden omgegooid, inclusief de grootformaat “pukau’s” de rode hoofddeksels.

Half uurtje rondkijken, terug naar het busje, op naar de volgende ahu. Dat is de beroemde Ahu Tongariki. Niet alleen befaamd omdat dit het grootste platform van het eiland is. Na een stevige aardbeving in Chili in 1960 werd deze plek door een tsunami getroffen. De tonnen wegende moai, de zwaarste weegt ongeveer 30 ton, werden door het water honderden meters landinwaarts gespoeld. In 1992 werd het platform gerestaureerd met geld van een Japanse hijskranenfabrikant, uiteraard in ruil voor de opname van een paar unieke reclameboodschappen. Het is inderdaad een indrukwekkend platform van 15 stoere beelden op een rij. Hoofd rechtop en macho voor zich uit kijkend. Armen langs het lichaam, handen voor de onderbuik gevouwen. Er zijn er geen twee die qua omvang en lengte hetzelfde zijn en er is er maar één die nog een pukau op zijn hoofd heeft staan. In de schaduw van het platform bedrijft een steenhouwer experimentele archeologie om na te gaan hoe lang het duurt zo’n beeld te hakken. In tegenstelling tot de ruggen van de moai op het eiland, waar ze door weer en wind zijn afgesleten, heeft deze nieuwe moai Polynesische tatoeages op zijn rug.

Het volgende reisdoel is Rano Raraku, een van de drie grote vulkaankraters van het eiland. Rano Raraku was in het verleden een gigantische moai steenhouwerij, een regelrechte moaifabriek. Op de kale steile bergwand staan, hangen en liggen er 397 moai in verschillende stadia van afwerking. Van “nog maar net mee begonnen” tot en met “klaar voor aflevering.” Zo’n 45% van alle moai die op het eiland zijn geïdentificeerd. Het is super fascinerend om tussen die voorover en achterover leunende beelden door te wandelen. Het is net of ze dronken zijn. Moai op hun rug, moai op hun buik, moai waarvan slechts de vage contouren na het eerste hakwerk zijn te onderscheiden. We beklimmen de vulkaan tot in de krater. Om de paar meter is er “werk in uitvoering” te bewonderen. Tot zelfs in de krater van de vulkaan staan er rond het kratermeer een stuk of 40 moai. Het begint striemend ijskoud water te regenen. Extra dienstverlening om de bezoekers uit de 21ste eeuw even een gevoel te geven hoe moeilijk de arbeidsomstandigheden hier ooit waren en hoe moeilijk het moet zijn geweest om de kant en klare moai naar hun eindbestemming te transporteren?

Het is vrijwel onvoorstelbaar hoe deze enorme en zware beelden met de beperkte hulpmiddelen waarover de Rapa Nui destijds beschikten letterlijk uit de vulkaanwand werden gehakt en naar hun plaats van bestemming werden vervoerd. Archeologen hebben van alles en nog wat gesimuleerd om tot een bevredigende verklaring te komen voor hoe een moai werd getransporteerd, hoeveel mankracht daarvoor nodig zou zijn geweest, hoe lang zoiets zou hebben geduurd. Volgens de bekende fantast Erich von Däniken is er een heel eenvoudig antwoord op al die vragen. Het waren uiteraard technisch superieure buitenaardse wezens die dit allemaal tot stand hebben gebracht. Een uiteraard onbewezen en onbewijsbare hypothese. Jo Anne van Tilburg, die is verbonden aan het Cotsen Institute of Archeology van de Universiteit van Californië (UCLA) heeft met experimentele archeologie een aantal aannemelijker theorieën geformuleerd, maar het blijft giswerk Alle moai op het eiland zijn door het “Easter Island Statue Project” in kaart gebracht, zijn gemeten en hun gewicht is geschat. De grootste bekende moai is de niet afgewerkte “el Gigante - de Reus” die bijna 22 meter lang is en tussen de 160.000 en 180.000 kilo weegt. De grootste overeind staande moai meet 9 meter 80, de kleinste 1 meter 13 en de langste omgevallen moai 9 meter 94.

Na de klimtocht door de openlucht werkplaats van de beeldhouwers is het tijd om uitgebreid te gaan navelstaren. Niet naar zo’n modieus brutaal onder de korte topjes van de dames uitstekende navel, maar naar “Te Pito o Te Henua” een grote ronde steen die volgens de Rapa Nui de navel van de wereld is. De gids haalt een kompas uit zijn zak om te laten zien waar het noorden is. De steen bevat waarschijnlijk hier en daar een concentratie metaal waarboven het kompas van slag raakt en het noorden plotseling in het westen ligt. Een ietwat flauw trucje om “magische krachten” aan te tonen. Vlak naast de navel ligt de Ahu Te Pito Kura, waar de grootste moai ligt die ooit naar zijn eindbestemming werd vervoerd. Het bijna 10 meter lange beeld weegt ongeveer 80.000 kilo! De moai ligt plat op zijn gezicht, zijn grote pukau staat er nutteloos en ietwat verloren naast.

Ahu Anekana ligt op het strand waar de eerste bewoners van het Paaseiland zouden zijn geland. Wie er ook is geweest, is Thor Heyerdahl. De beroemde Noor die heeft geprobeerd aan te tonen dat de bewoners van Polynesië van het vaste land van Zuid Amerika afkomstig zouden kunnen zijn. Heyerdahl deed in 1955 archeologisch onderzoek op het eiland. De door zijn team gerestaureerde moai, met plaquette die aan het bezoek herinnert, staat weggemoffeld achter de het idyllisch tussen ruisende palmen en een wit zandstrand gelegen platform waarop´zowaar vier van de zeven moai hun rode pukau op het hoofd hebben staan! Een prachtig beeld om de dag mee te besluiten.

Maandag, 24 okober 2005. Het afscheid van het hotel valt licht. Als ik in het vrijwel lege restaurant met uitzicht op de oceaan wil ontbijten, wordt me verzocht plaats te nemen aan een weggestopt tafeltje met uitzicht op het buffet. Dat zijn de tafels voor de “solteros” zij die alleen reizen, is de uitleg. “Ik zal je rugzak er alvast naar toe brengen?” wordt er dwingend hulpvaardig aan toegevoegd. Ik vertel de dame in kwestie dat ik ga zitten waar ik wil en dat iedereen met zijn of haar fikken van mijn rugzak afblijft. Hoewel ik geen ontbijtliefhebber ben, is er alle aanleiding om eens uitgebreid te tafelen. Als ik ruim een half uur opstap, is nauwelijks de helft van de tafels bezet.

Het vliegveld Mataveri doet denken aan een Europees jaren 60 vliegveld. Zo’n vliegveld met minimale faciliteiten zoals dat in Spanje bestond of Griekenland voordat het Europese massatoerisme op gang kwam. Houden zo. In 1995 werd Rapa Nui door de Unesco tot “werelderfgoed” verklaard, de Chilenen hebben het hele eiland tot Nationaal Park verheven. Beide zeer terecht. Het Paaseiland is een unieke archeologische vindplaats en een op veel plaatsen imposant openluchtmuseum. Af en toe krijg ik de indruk dat de Rapa Nui zelf denken dat ze op een toeristische goudmijn wonen. Er moeten veel meer hotels worden gebouwd, vinden ze. Er is plaats voor minstens 150 duizend bezoekers per jaar in plaats van de 20 duizend van nu. vinden ze. Het eiland is daar veel te klein voor, de mankracht ontbreekt, de infrastructuur ontbreekt, eten en drinken worden van het vaste land aangevoerd, net zoals alle brandstof. Ik moet er niet aan denken dat die gekke dagdromers hun zin zouden krijgen en van het Paaseiland een soort mediterraan pretparkeiland gaan maken Daarom kijk ik vanuit het opstijgende vliegtuig zo lang mogelijk naar het nu nog redelijk authentieke en heel erg lege eiland.

slot