PAASEILAND - 2 (11112005)

Zaterdag, 22 okober 2005. Rapa Nui - het Paaseiland heeft de vorm van een steek, zo’n driekantig hoofddeksel dat de lakeien dragen die op Prinsjesdag naast de Gouden Koets lopen. Bijna alle 4.000 eilandbewoners wonen in en rond de enige en derhalve de “hoofdstad” Hanga Roa. Nou ja stad, het is zelfs niet eens een uit de kluiten gewassen dorp. Geen hoogbouw, weinig verkeer, geen vliegverkeer - er landt slechts één vlucht per dag - rust alom. Maar onder de oppervlakte schijnt het te borrelen. De Rapa Nui zouden minder afhankelijk willen worden van de Chileense bureaucratie. “Willen jullie onafhankelijk worden van Chili? Informeer ik bij mijn gids. “Nee, we willen autonomie!” antwoordt hij beslist. Er is alvast een vlag, die hij en de meeste andere gidsen op hun jack hebben geborduurd. Iets roods op een witte achtergrond. Het lijkt op twee versmolten vissen, misschien een paar breed glimlachende lippen, maar zou met enige fantasie ook een tussen twee bomen geknoopte hangmat kunnen zijn. Stom genoeg ben ik vergeten naar de betekenis ervan te vragen.

Na Orongo rijden we naar Hanga Roa, de excursie van een hele middag zit er na iets meer dan twee uur kennelijk op. “Zal ik je bij je hotel afzetten of in de stad?” Het wordt “het centrum” van de stad, een kruising waar vandaan rechts de heuvel op een wit kerkje is te zien en links naar beneden de zee. “Of je katholiek bent of niet, je moet morgenochtend beslist naar de mis van negen uur gaan. Er wordt in de landstaal gezongen. Heel speciaal. Ik pik je na afloop van de mis bij de kerk op.” Daarna kan ik het voor de rest van de dag zelf uitzoeken. Aan de waterkant zie ik zowaar mijn eerste wat slordig gerestaureerde moai. Petroglieven zijn interessant, maar ik ben uiteindelijk naar Paaseiland gereisd om moai te zien. Die wereldberoemde enorme beelden van streng voor zich uitkijkende mannen die over het hele eiland verspreid staan en liggen. Zo’n 900 volgens de officiële telling.

Naar de deskundigen vermoeden, zijn er op het Paaseiland honderden jaren moai gebeiteld, naar de kust vervoerd en op platformen geplaatst. Dit zou ergens in de 18e eeuw van de ene dag op de andere zijn gestopt. Waarschijnlijk om de praktische reden dat het eiland toen volledig was ontbost en de beelden met geen mogelijkheid meer naar hun plaats van bestemming konden worden vervoerd. Want het is vrijwel zeker dat de moai met behulp van boomstammen werden gesleept en verrold. Het verhaal dat de eilanders door zich zwaar te concentreren de beelden gewichtloos naar hun eindbestemming konden dirigeren, worden alleen door sommige van hun nazaten geloofd. Dat met veel moeite rechtop zetten van de moai werd door stammentwisten ongedaan gemaakt. Er heeft een heuse beeldenstorm gewoed waarbij alle beelden werden omgekieperd. Op die manier zou de bescherming die ze boden ongedaan zijn gemaakt en dat hebben de eilanders geweten. Van een bevolking die op het hoogtepunt op zo’n 10 duizend wordt geschat, waren ruim honderd jaar geleden nog maar 111 over. Dankzij slavenhandel, westerse ziektes en tenslotte Chilenen en missionarissen.

De eenzame moai bij het haventje kijkt stoer naar de oceaan, en staat op een niet zo lang geleden gemetselde sokkel. “Links afslaan en een minuut of twintig doorlopen” is mij aangeraden, daar staan nog veel meer moai. Als eerste komt echter de kleine begraafplaats in beeld. Vlak naast de ingang wordt een vers graf gedolven. In een hoek staat een bord dat de bezoekers tegen de “nao nao de Rapa-Nui” waarschuwt: “Gebruik zand in plaats van water en help mee de nao noa van Paaseiland uit te roeien.” Dat blijkt een muskiet te zijn die dengue verspreidt. Even verderop wandel ik de wondere wereld van de moai binnen. Eerst wat eenzame opgerichte en omgevallen moai, een monument voor William Mulloy, een Amerikaanse archeoloog die de moai in dit gebied in de jaren 60 van de vorige eeuw heeft gerestaureerd en veel onderzoek heeft gedaan. “Door het verleden van ons geliefde eiland in kaart te brengen, gaf hij ons een toekomst” staat er op een plaquette. Her en der liggen vormloze hompen grijze steen die een moai zouden kunnen zijn en dan plotseling “Ahu Tahai.”

Een “ahu” is een stenen platform van behoorlijke afmetingen, het voetstuk waarop de moai staan. Voor de bouw van de platformen zijn flinke keien gebruikt, er omheen ligt een soort bestrating van kleinere ronde keien. Het vermoeden bestaat dat iedere familiegroep binnen een clan zijn eigen platform met moai had, die hen spirituele bescherming boden en het centrum van religieuze ceremonieën en begrafenissen zouden zijn geweest. Helaas bestaat er geen geschreven geschiedenis, slechts overlevering en vermoedens. Een “ahu” is gewijde grond en mag beslist niet worden betreden. In mijn onschuld denk ik eerst nog dat dit alleen voor het verhoogde gedeelte waarop de beelden staan geldt, maar de “bestrating” er omheen is ook verboden terrein. Een parkwachter fluit me met een scheidsrechtersfluit letterlijk terug als ik er slechts een voet op zet “Señor, senñor! Es prohibido!” wordt me uit de verte toegeschreeuwd. Het blijft deze eerste overtreding bij een waarschuwing, de volgende keer zal er ongetwijfeld een rode kaart worden getrokken.

Ahu Tahai ligt een mooi golvend terrein. Op het platform staat een groep van vijf moai in diverse staat van afwerking of, meer waarschijnlijk, verval. Zichtbaar gerestaureerd en geen van allen met de karakteristieke cilindrische rode “pukau“ het imposante hoofddeksel of met de van koraal gemaakte ogen. Verderop staat wat afgezonderd een min of meer complete moai die aan al die eisen voldoet. Een voorproefje voor morgen?

wordt vervolgd