SANTIAGO EN OMSTREKEN - 2 (30102005)

Woensdag, 19 okober 2005. “Over Pinochet willen we het liever niet meer hebben” zeggen zowel de taxichauffeur als mijn Chileense collega’s “dat is de tijd waaraan we liever niet meer herinnerd willen worden.” Ik houd aan en begin over de geheime bankrekeningen in het buitenland waarop miljoenen dollars smeergeld zouden staan. De commissie die Pinochet zou hebben ontvangen voor de wapenaankopen van de Chileense Republiek. “Waarom zeuren ze in Europa en de VS toch zo over de mensenrechten en dat smeergeld? Dat gaat over een tijd die ver achter ons ligt. Hebben ze in het Westen niets beters te doen?” Goede vraag, waarop het antwoord hoogstwaarschijnlijk “nee” luidt. Hoewel de bejaarde Pinochet als het meezit op aarde nog kan worden veroordeeld, denkt hij zelf God hem in het hiernamaals alles zal vergeven.

“Waar wil je vanmiddag naar toe?” Er is een wat langere pauze, omdat wat we eerder op de dag hebben bedacht door anderen moet worden uitgewerkt. Dat gaat minstens de rest van de dag duren en biedt een mooie gelegenheid voor een uitstapje. “Een wijngaard??” Dat wordt in een vloek en een zucht geregeld. “Concha y Toro in Pirque, je wordt er om half vijf verwacht.” Pirque is een voorstadje van Santiago de Chile waar Don Melchior de Concha y Toro rond 1875 een enorme lap grond kocht, waarop een landhuis werd gebouwd en waar een Victoriaanse tuin van 23 hectare werd aangelegd. Daarna was er nog meer dan genoeg ruimte over om in 1883 te beginnen met het aanplanten van uit Europa ingevoerde druivenranken. De grondslag voor een bedrijf dat nog steeds uitstekende rode en witte wijnen maakt.

Zo’n bezoek aan de wijngaard “inclusief proeven” is een strak georganiseerde gebeurtenis. Eerst naar de voordeur van het landhuis alwaar de historie van de familie en het wijngoed wordt verteld. In de door de Fransman Guillaume Renner ontworpen tuin, staan veel bijzondere bomen en heeft grote met elkaar verbonden waterwaterpartijen. De kastanjebomen staan in bloei, de magnolia’s zullen spoedig volgen. Het park, in mijn ogen is het geen tuin, zou zo op een Engels landgoed kunnen liggen. Slim geplante bomen en struiken houden de wijngaard uit het zicht van de bewoners van het landhuis en het landhuis uit het zicht van de arbeiders. Een tunnel verbindt het huis met de wijnkelders. De bezoekers mogen via een bovengronds pad een snelle blik op de wijngaard werpen.

Terwijl in Europa de wijnoogst in volle gang is “oktobermaand - wijnmaand” beginnen in Chili de ranken net uit te lopen. Op het zuidelijk halfrond is april of mei de wijnmaand. De voet van de nieuw aangeplante ranken wordt met plastic en folie tegen de konijnen beschermd. Die schijnen de wortels lekkerder te vinden of gewoonweg geen geduld te hebben om op het eindproduct te wachten. Na de wijngaard mag er eindelijk rode wijn worden geproefd. Iedere bezoeker krijgt een glas dat later als aandenken aan het bezoek mee naar huis mag worden genomen. Letterlijk mondjesmaat is de hoeveelheid wijn die mag worden gekeurd. Flauwe grapjes. “Degene die de laatste wijn uit een fles krijgt, trouwt binnen een jaar” volgens de rondleidster. Een Mexicaanse moeder vindt dat de hoogste tijd worden voor haar dochter en duwt haar naar voren. Dochterlief vindt het maar niets, maar moeders wil is wet. Ze neemt een klein slokje en trekt een vies gezicht “wij Mexicanen zijn aan tequila gewend, dit smaakt naar niets!” In de wijnkelders wat onbenullige verhalen over hoe Don Melchior de dieven uit zijn wijnkelder hield door het gerucht te verspreiden dat de duivel er zou wonen. Het licht gaat uit, gezwollen muziek, plots klinkt er “angstaanjagend” duivels gekrijs uit de luidsprekers. Erg kinderachtig. Nog een bodempje rode wijn en wordt de kudde tamme toeristen snel naar de winkel geleid. Aan het eind van de toer weet ik zeker dat de eigenaars van de bodega erg slimme jongens zijn. Ze laten iedere bezoeker 10 Euro betalen voor een commerciële boodschap van een dik uur, die zij “rondleiding met wijnproeven” noemen.

De zon schijnt fel, het is minstens 30 graden Celsius, op de bergtoppen in de verte ligt sneeuw. “Heb je zin om de sneeuw aan te raken?” Voor mijn gevoel ligt de sneeuw veel te ver weg om te bereiken voordat het donker. Volgens mijn collega is het te doen, dus gaan we op pad. Het wordt een spel van pak me dan als je kan. De ene keer lijkt de sneeuw dichter bij te komen, dan lijkt het weer een stuk verder weg. De rivieren en beken zijn vol en stromen snel, smeltwater dat hoog uit de Andes komt. Langs de bochtige weg staan veel “animas” kleine gedenktekens voor mensen die daar bij een ongeluk zijn omgekomen. Een gevaarlijke weg waar geen waarschuwingsborden hoeven te worden geplaatst. Hoe frequenter de gedenktekens, hoe gevaarlijker de weg. Na een dik uur gereden passeren we een controlepost van de Carabinero, de Chileense politie. Daar houdt de bewoonde wereld op tot aan de ander kant van de bergrug, waar Argentinië ligt. De weg is een piste die hier en daar wordt onderbroken door stroompjes smeltwater. Het kost af en toe wat moeite om de auto er doorheen te manoeuvreren. In Lo Valdes, 1.845 meter boven de zeespiegel, valt het besluit dat we het niet gaan halen. We klimmen nog tot 2.000 meter naar het gehucht Baños Morales waar thermische bronnen zouden zijn. We zullen ze niet zien. Het van God en iedereen verlaten gehucht met 10 inwoners ligt er totaal uitgestorven bij, de hut van de toeristeninformatie, de lokale VVV, ziet er niet uit. Een houten keet die van ellende bijna in elkaar zakt, maar wel fier de “trektochten per paard met een lokale gids” in de aanbieding heeft. Een dorpsbewoner vertelt dat er geen gas, water of elektriciteit is, terwijl de tv staat te blèren. Dankzij de ronkende generator en een schotelantenne. We zijn er vlakbij, maar de sneeuw aanraken zit er vandaag echt niet in

.

Donderdag, 20 okober 2005. In haar boek “Mi país inventidao - Het door mij bedachte land” roemt de schrijfster Isabel Allende de gastvrijheid van haar landgenoten. Die gaat zelfs zover, dat ze de lezer adviseert om bij een Chileen thuis nooit iets al te nadrukkelijk te bewonderen, want voordat je het weet, wordt het je cadeau gedaan. Vanavond ben ik bij te gast bij mijn oud collega Alejandro en zijn vrouw Lorena. De kleine salon hangt en staat vol met klokken, die ongedisciplineerd de kwartieren, halve en hele uren slaan. Toen ik lang geleden een paar jaar in de buurt van Londen woonde, kocht ik zelf regelmatig klokken op de antiek en rommelmarktjes in de buurt. Bj de verhuizing uit Engeland had ik er minstens twintig die nooit allemaal tegelijk wilden slaan. Helaas is die verzameling in de boedel van een vorig huwelijk achtergebleven, maar het slaan van de klokken in Santiago de Chile veroorzaakt zowat een sentimetal journey. Ik mompel niet al te bewonderend hoe moeilijk het is om klokken precies tegelijk te laten slaan en het hele gezin is het daar volmondig mee eens. Die klip is elegant omzeild.

Hoewel er twee huisbediendes zijn, zorgen de oudere zonen ervoor dat de glazen vol blijven en de borrelhapjes op tafel komen. Hun dochter is 15 jaar geworden, de kokkin zet de kaart op tafel, we zingen “Cumpleaños Feliz” voor haar. Vijftien worden is een belangrijke gebeurtenis voor Latijns Amerikaanse meisje, het wordt groot gevierd. Zoiets als 18 jaar worden in Europa. Het eten is heerlijk. Wat anders dan vis en frisse witte wijn van het huis dat ik gisteren bezocht. Als dessert ijs en “chirimayo“ een vrucht uit het noorden van Chili met een wat stekelige huid. De vrucht moet in tweeën worden gesneden en vervolgens worden leeg gelepeld. De binnenkant lijkt wat op de guava met veel te veel pitten naar mijn zin, manmoedig bijt ik door. Niets aan. Aan het eind ban de avond komt alsnog het cadeau. Zou ik iets te enthousiast hebben gezegd dat de wijn zo lekker was? Er staan twee doosje wijn voor me klaar. Ik voel me werkelijk heel lullig, maar ik kan ze echt niet meenemen “je weet toch dat ik met de rugzak onderweg ben naar het Paaseiland?” Daar is alle begrip voor, maar die wijn wordt binnenkort hoe dan ook door een wederzijdse kennis in Buenos Aires afgeleverd. Over verregaande gastvrijheid gesproken.

Vrijdag, 21 okober 2005. Vandaag behandelt de taxichauffeur de toenemende misdaad, die de schuld zou zijn van de inwoners van de “Callampas” de sloppenwijken aan de rand van de stad. Een “gallampa” is een woestijnplantje dat uit het niets zou opbloeit als het even regent, vandaar. In Argentinië worden de sloppenwijken “villa meseria” genoemd, in Peru “pueblos jovenes - jonge dorpjes” in Rio de Janeiro “favelas.” Ook de “favelas” zijn vernoemd naar een snelgroeiend plantje in het noordoosten van Brazilië, waar de meeste bewoners van de sloppenwijken vandaan zouden komen. Hij bevestigt bovendien dat het aspirant parlementslid Isabel Allende, niet de schrijfster is. Dat vermoedde ik al, ze woont al jaren in Californië en geeft in haar boeken niet de indruk dat ze staat te trappelen van ongeduld om weer in haar vaderland te gaan wonen.

Sinds mijn aankomst in Santiago de Chile heb ik iedere avond vis gegeten. In het conservatief katholieke Chili staat op vrijdag uiteraard ook vis op het menu. In het restaurant van mijn hotel staat een uitgebreid visbuffet klaar. De gerant legt uit dat je zoveel mag eten als je wilt en dat de wijn in de couvertprijs is inbegrepen. “Hoeveel flessen?” vraag ik balorig. “Tot je niet meer kunt!” riposteert de man zonder een spier te vertrekken. Ik heb geen idee meer wat de namen zijn van al die verschillende vissen die ik at, wat ik wel weet is dat het verschrikkelijk lekker was. De Tonijn van het Paaseiland laat ik links liggen, die wil ik morgen op het Paaseiland zelf gaan eten.

wordt vervolgd