SANTIAGO EN OMSTREKEN (24102005)

Maandag, 17 okober 2005. Santiago de Chile is geen mooie stad, wel een erg mooi gelegen stad. Van haast ieder punt waar de horizon is te zien, bestaat die uit de met de laatste resten sneeuw bedekte toppen van de “Cordilllera de los Andes” het Andesgebergte. Nog een week of twee, drie en dan is de sneeuw weer weg, ik zie het iedere dag minder worden. Behalve dan op de windstille dagen als de uitlaatgassen van het verkeer en de industrie niet weg kunnen. Santiago ligt in een vallei, in een enorme bergkom, waar die smog door de wind moet worden weg geblazen. Als dit natuurlijke ventilatiesysteem het af en toe even af laat weten, hangt er een grijze wolk boven de stad.

Dat het voorjaar is, is langs de wegen goed te zien. Uitlopende bomen en in de bermen “dedales de oro - gouden vingerhoedjes.” Niets te maken met het Nederlands vingerhoedskruid, dit vingerhoedje is een papaverachtige. Gek genoeg bloeit de dedal in het voorjaar in ongeveer dezelfde maand als in Europa de rode papaver in het najaar bloeit. Zou volgens mijn taxichauffeur door Charles Darwin naar Chili zijn gebracht. Op enige afstand geven de goudkleurige bloemblaadjes de indruk dat de Chileense bermen met goud zijn bekleed. ´s Avonds in het restaurant zit er gewoonweg niets anders op dan “Atún de la Isla de Pascua - Tonijn van het Paaseiland” te eten. Om alvast in de stemming te komen voor de reis van het aanstaande weekeinde. De flinke moot tonijn wordt klaargemaakt als een biefstuk “medium graag” en geserveerd op een bedje van licht gefrituurde tomaten. De witte Chileense Sauvignon Blanc is trouwens ook niet te versmaden. Het smaakt heerlijk veelbelovend.

Dinsdag, 18 oktober 2005. Het is een uur of zes in de middag. Op het werk is vandaag veel gesproken over een lap grond in Viña del Mar die erg veel geld waard zou zijn. Helaas is de grond in de 70 jaren of zo dat er olie en chemische producten waren opgeslagen enigszins vervuild. Het terrein kan niet worden verkocht voordat de grond is gereinigd en dat gaat een bom duiten kosten. Viña del Mar is een stadje aan de kust dat, volgens mijn Chileense collega’s, in de zomermaanden een van de populairste badplaatsen van het land is. Op de televisie heb ik het zomerse Festival van Viña wel eens gezien. Het lijkt wat op het Festival van San Remo. Er treden vooral Latijns Amerikaanse zangers en zangeressen van het populaire lied op. Niet echt mijn smaak, maar ik kan me best voorstellen dat duizenden anderen het fantastisch vinden. “Zullen we er even naar toe rijden, dan kan je het zelf zien” stelt iemand voor. De afstand naar Viña is ongeveer 120 kilometer, de snelweg is uitstekend en verbindt de ene vallei met de volgende. In de Vallei van Casablanca, jawel het Witte Huis, eindeloze wijngaarden waar de volle witte wijn vandaan komt die ik gisteravond zo lekker vond.

In de buitenwijken en dichterbij het oude centrum lijkt Viña del Mar wel wat op een ouderwetse Europese badplaats. Aan de rand van het stadje staan statige houten huizen, verderop zijn ze van steen. Het verkeer in het centrum loopt vast, de weg is opgebroken voor de aanleg van een trambaan. Voor de concertzaal staat een flinke rij mensen te wachten tot de loketten open gaan. Om alvast kaartjes te kopen voor het festival? Dichterbij het strand staan veel glimmende torenflats met uitzicht op de Océano Pacífico, de Grote Oceaan. Als het terrein eenmaal schoon is, dan kunnen er behoorlijk wat van dat soort torens op worden gebouwd. Vroeger lag het buiten het dorp en nu in het midden van een zich snel uitbreidend stadje en bovendien aan de boulevard en het strand! Vlug een voet in het koude oceaanwater steken en genieten van de zon die achter de heuvels van Valparaíso, aan de andere kant van de baai, ondergaat. Met de waarde van die grond zit het wel goed.

Als we in het donker door Viña rijden is goed te zien dat de meeste appartement slechts tijdens de weekeinden en de zomer worden bewoond. Op deze doordeweekse avond brandt er vrijwel nergens licht, eigenlijk best saai. In het Casino is weinig te doen, ernaast staan de koetsjes tevergeefs op klanten te wachten. Als je de weg volgt, gaat Viña als vanzelf over in Valparaíso, de wat in verval geraakte havenstad. De inwoners van Valparaíso noemen zich tot mijn verassing “proteños” net zoals inwoners van Buenos Aires! “Plagiaat!” roep ik. “Wat plagiaat” wijst mijn Chileense collega me streng terecht “Dit is net zo goed een havenstad, ze hebben het volste recht zich zo te noemen!” We parkeren de auto in het centrum en wandelen wat rond. Aan een plein staat het hoofdkwartier van de Chileense Marine dat vaag op een renaissance gebouw lijkt, maar natuurlijk niet is. Eerbewijzen aan de nationale held Admiraal Arturo Pratt, verslonste elegante gebouwen, vergane glorie. Veel Engelse namen, de haven werd door de Engelsen aangelegd en geopereerd, net zoals die van Buenos Aires. In een steeg een “Casino Social” dat een eenvoudig, maar te gek bruin café blijkt te zijn. Er wordt “chorrillanas” geserveerd (vettige frieten, stuk vlees, gebakken ei), een klassieker uit de Chileense volkskeuken, de accordeonist zit op zijn maat te wachten. Vitrines vol met bierpullen, horloges, heiligenbeeldjes. Velerlei hoeden aan de muur. Keukentafels met afgedankte keukenstoelen. Weinig klanten, veel sfeer. We rijden de stad uit langs het nieuwe parlementsgebouw dat vanuit Santiago is overgeplaatst om een impuls te geven aan de lokale economie. Zichtbaar hard nodig. Wat een verschil tussen de weelde van Viña aan de ene kant van de baai en het wat verlopen Valparaíso aan de andere kant. Zowel het een als het ander dankzij de liberalisering van de Chileense economie door de regering van de thans zo verguisde President Pinochet.

wordt vervolgd